Kleinerende soep…

 

dit artikel gaat niet over het beschermen/verdedigen van je geliefden, van weerlozen, van je lijf, goed en have: dat is geen strijd die je opzoekt maar bescherming: een ander verhaal dus

Dit artikel gaat over strijd, de onderliggende motivaties en het doel. Met strijd bedoel ik niet eens zozeer het elkaar te lijf gaan met vuist, hellebaard, goedendag of modernere slag-, steek- of vuurwapens, maar de strijd zoals die dagelijks te zien is in het leven en bijvoorbeeld de sociale media zoals Twitter en Facebook.

Meegeven is vaak constructiever dan vechten. De oude uitspraak: “Je vecht uiteindelijk tegen jezelf” gaat ook hier weer op. Want wat gebeurt er precies als er strijd ontstaat? Wat is de reden dat mensen ruzie maken, oorlog voeren, vechten, schelden, snauwen, vernederen, slaan? Het zou gemakkelijk zijn om te zeggen: “Mensen willen winnen.” Maar wat willen ze dan winnen? Ik ga er altijd vanuit dat mensen die strijden -in welke vorm dan ook- zich op een of andere manier machteloos voelen. Als ze eigenmachtig waren, hadden ze immers geen strijd nodig?

Bovendien willen mensen iets van degene tegen wie ze strijden: aandacht, een blijk van machteloosheid of angst, gehoorzaamheid, nederigheid, land, geld, liefde, tegenstand, dat ze ergens mee ophouden, et cetera. Sommigen kennen geen andere manier om hun bestaan te bevestigen dan door strijd. Daar komt bij dat mensen die strijden (nog) geen contructievere manier hebben gevonden om met dat waartegen (of met wie) ze strijden om te gaan.

Vanuit dat model kun je zeggen dat iemand die tegen jou strijdt:

  • iets van je wil, of juist wil dat je ergens mee ophoudt
  • zich machteloos voelt en dit probeert te compenseren
  • geen andere manier kent om te krijgen wat hij wil

De machtelozen schreeuwen het hardst
Hoe meer en hoe groter de wapens, des te groter de machteloosheid die gecompenseerd wordt. En bij wapens hoef je niet per se aan messen, zwaarden en pistolen te denken. Ook verbaal kan iemand zich bewapenen. De pen is scherper dan het zwaard. Schrijven en praten kunnen soms pijnlijker zijn dan een klap of een messteek. Soms voelen ze zelfs hetzelfde. Op de middelbare school kreeg ik les van een leraar die het verbaal strijden tot een ware kunst had verheven. Iedereen sidderde voor zijn scherpe tong. Hij kon je in een paar seconden compleet voor schut zetten, waarbij je nog maar één wens had: zo snel mogelijk overlijden.

Woordsnijkunst
Ik heb dat een paar keer ondervonden (het voor schut zetten; niet het overlijden) en ik herinner me nog heel goed de pijn, de schaamte en de vernedering die ik voelde op zulke momenten. Hij verstond de kunst om een leerling een tijdje te bestuderen en dan exact diens zwakke kanten uit te spelen tegenover de klasgenoten. Ik weet niet waarom deze man dat deed, maar het is me altijd bijgebleven. Later leerde ik dat het niet zo moeilijk is om iemand verbaal af te branden als je de juiste woorden maar gebruikt. Het is een kunstje. En uiteindelijk is het een goedkoop kunstje want hoewel het op zo’n moment als overwinning kan voelen wanneer iemand diep vernederd afdruipt na een woordenwisseling met jou, uiteindelijk verlies je.

En het lastige is, dat je nooit weet op welke manier je zult verliezen.

 

Ik heb daarover eens een leuke anekdote gehoord:

Aan boord van een kustvaarder vermaakte een deel van de bemanning zich met het vernederen van de nieuwe Koreaanse kok. Vooral één van de mannen schiep er een waar genoegen in om Kim continu voor schut te zetten. De ene valse opmerking na de andere werd gelanceerd en regelmatig struikelde Kim over een ‘per ongeluk’ uitgestoken voet, terwijl hij met een zwaar dienblad met mokken koffie langs liep. De mannen bulderden het dan uit.

Kim had echter een eigenaardigheid: waar anderen kwaad zouden worden, bleef hij hoffelijk, bood zijn verontschuldigingen aan en glimlachte zijn vriendelijke lach tegen iedereen. Terwijl hij de koffierommel opruimde die was ontstaan door zijn val, informeerde hij vriendelijk naar het welzijn van de mannen en toonde zich daarbij een prima luisteraar. Daarnaast kon hij meesterlijk koken. Vooral zijn soep was geliefd aan boord. Dat begon zijn uitwerking te krijgen op de bemanning, die na een tijdje genoeg kreeg van het geplaag.

Behalve die ene machinist, die bleef  Kim maar sarren en vernederen.

Kim werd een gewaardeerd bemanningslid door zijn onverstoorbare hoffelijkheid, zijn oprechte belangstelling voor anderen en door zijn uitmuntende kookkunst. Iedereen liet hem met rust, behalve onze boosdoener, de machinist, die er maar geen genoeg van kon krijgen om Kim te laten struikelen, hem te vernederen en op alle mogelijke manieren het leven zuur te maken. Dat ging dagenlang door.

Kim bleef vriendelijk, ook tegen hem, en op het laatst had de rest van de bemanning er schoon genoeg van. Men begon zich meer en meer te ergeren aan het gedrag van hun maat en enkelen begonnen de machinist te overreden om met zijn flauwe gedrag op te houden. Ze maakten hem duidelijk dat Kim toch een goede kok was en altijd vriendelijk. De plaaggeest bromde wat over spleetogen en dat ze niet beter verdienden, maar dat hij zich wel zou aanpassen als zij dat dan zo graag wilden.

Een van de mannen sprak Kim later en vertelde dat ze hadden gepraat met de machinist en dat deze waarschijnlijk niet meer zo vervelend zou doen tegen Kim.

Kim glimlachte zijn glimlach en zei: ‘ dan zal ik niet meer in zijn soep plassen’.

Strijd of wraak die je niet kunt waarnemen, is het gevaarlijkst. Misschien iets om over na te denken wanneer je er genoegen in schept om anderen te vernederen of om voortdurend tegen van alles en iedereen te strijden. Afgezien van het feit dat je veel laat zien van je machteloosheid, weet je maar nooit wie er in je soep plast…