De ezeldrijversstrategie – een metafoor

 

Het eeuwige gemekker en de strijd om gelijk; de steekjes onder water, de afmaakzinnetjes en de regelrechte verbale dolksteken in de rug…

“Kun je dan niet meegaan voor mij?”

“Akkoord dan.”

“Ja, nee, maar je moet het dus zelf ook leuk vinden hè.”

Het per ongeluk verkeerd afspreken, te late tijden doorgeven waardoor hij voor lul stond omdat hij overal te laat kwam; totdat hij tot in het benauwde alle afspraken zelf nog eens controleerde – tot grote woede van haar want: “Vertrouw je me niet of zo?” Nee, niet meer. Het eeuwige “Dat laat ik je nog wel weten” als mogelijkheid om hem informatie te onthouden en hem afhankelijk te maken. En natuurlijk, als uiterste middel, seks. Althans de onthouding ervan. Geen middel zo beproefd, effectief en succesvol slopend als de aloude excuushoofdpijn, minutieus getimed voorgewend, met altijd net dat trillende mondhoekje waarvan hij drommels goed wist dat het geen tremor van pijn was maar van nauw verholen plezier, bijkans losbarstend gelach; maar toch nog juist beheerst ingehouden.

‘Het vaginaalcomplot,’ had een vriend van hem het eens genoemd, daarmee te kennen gevend dat het geen incidenteel probleem betrof. ‘Kutstreken,’ noemde hij ze zelf. Niet hardop natuurlijk: hij keek wel uit.

Het claimen, willen veranderen, vernederen… van nagels en bloed; van bloedeloze discussies, alleen om het discussiëren zelf; om alles te betwijfelen en nooit te zeggen: “Hé, dat klopt.” Dat het altijd anders moest, net even anders, in elk geval anders dan hij wilde.

Zo erg dat hij op het laatst de strategie had ontwikkeld die hij in gedachten ‘ezeldrijven’ noemde, naar de aanname dat als je een ezel vooruit wilde laten lopen, je het beste kon trachten het beestje achteruit te laten gaan. Als hij een programma wilde zien op de televisie, omcirkelde hij in het programmablad een ander programma. Op die manier was er de grootste kans dat hij het niet omcirkelde maar wel gewenste programma kon zien. Dat hij de keuze kreeg tussen iets met aardappels of met rijst, en dan voor aardappels koos als hij zin in rijst had, zodat hij zeker wist dat hij het kreeg.

Dat hij als passagier in de auto tegen haar zei: “Volgens mij kun je hier beter linksaf gaan,” omdat hij wist dat rechts de goede route volgde en zij rechtsaf zou gaan.

Eigenlijk leefde hij al jaren in de andersom-modus: en wat ooit als handige strategie was begonnen en waaraan hij in het begin ook nog wel het kleine genoegen der rechtvaardiging beleefde, begon hem meer en meer tegen te staan.

Wat deed hij hier nog? Er waren geen kinderen, hij kon werken waar hij wilde, zolang er maar een internetverbinding en computer voorhanden waren – en aan de stad zat hij niet vast… Waarom vertrok hij niet. Hij had het benauwd, wilde weg, draaide en woelde zweterig en werd wakker.

Hij keek naast zich, naar de gouden oceaan van haar, uitgespreid over het kussen; naar het fijne, lieve, mooie gezicht – ontspannen in de dromen die er bewust of onbewust achter scholen. En het besef dat deze schoonheid, deze liefde, deze warmte voor hem was; voor altijd. Geen spelletjes, geen macht, geen manipulaties.

Ze opende haar ogen en een stralende lach verscheen op haar gezicht.

“Wat wil je doen vandaag?” vroeg ze. En de ondeugende pretlichtjes die ze in haar ogen kreeg, deden hem op slag alles van vroeger vergeten.

Het lijden was niet voor niets geweest. De hemel was hier.