Het zorgsyndroom

 

In mijn jeugd woonde er in de buurt een man in een heel oud huisje. Het huisje was al jaren zijn eigendom en hij voorzag in zijn onderhoud door groenten te kweken en geiten en kippen te houden voor eieren, melk en kaas. Twee keer per week ging hij naar de bakker om ‘vorigedagbrood’ te halen: brood dat te oud was om als vers te worden verkocht en daarom heel goedkoop werd aangeboden. Deze man was niemand tot last, ook al was het een norse, zwijgzame man, en hij ging gewoon zijn gangetje. Totdat er een groepje zorgzame mensen besloot dat de man op die manier toch niet kon leven. Er werd een actiecomité opgericht en in samenspraak met gemeente, een arts en een maatschappelijk werker werd de man uit zijn huis gehaald en in een verzorgingstehuis gestopt. Dit ging met veel geweld gepaard omdat de man helemaal niet uit zijn huis wilde.

Een paar dagen later stond er een artikel in de krant waarin een ‘redder’ vertelde dat ze heel trots was op hun actie. “De man verkommerde daar maar en hij had het zelf niet eens in de gaten.” zei ze, “Op deze manier kan hij een fatsoenlijke oude dag beleven.” Drie weken later was de man overleden en de woordvoerster van het actiecomité vertelde dat ze blij was ‘dat ze nog op tijd waren om de man in menswaardige omstandigheden te laten sterven’.

En dat is ook precies wat ze hebben gedaan: de man laten sterven.

Op ieder ‘afwijkend’ gedrag staat straf; vaak een forse straf. Dus kijk je wel uit om te veel buiten de boot te vallen, nietwaar? De straf die deze man voor zijn keuze kreeg was vrijheidsberoving, betutteling en het ontnemen van het beslissingsrecht over zichzelf en zijn leven. Helaas is dit geen incident maar schering en inslag in de wereld waarin we nu leven. Alles wordt voor je geregeld: wat je met je geld moet doen, je gezondheid, je overlijden, je relaties, je woonsituatie et cetera.

Iemand die kanker krijgt en weigert om naar de dokter te gaan, bestralingen en chemotherapie te ondergaan en verkiest om anderszins te genezen of wellicht dood te gaan aan deze kanker, kan rekenen op een veel groter en grimmiger gevecht met zijn omgeving dan tegen zijn ziekte. Er is een mooi woord voor dit gedrag van mensen die voor anderen willen beslissen: het zorgsyndroom.

Het zorgsyndroom
Dit is een van de grootste vormen van minachting en gebrek aan respect die er bestaan. Het zorgsyndroom doet mensen besluiten om voor een ander te gaan zorgen, ook al heeft die ander daar niet om gevraagd en zelfs al wil diegene helemaal geen hulp. Een soort opvoeding. In het klein is dat te zien bij situaties zoals in het voorbeeld van de oude man in zijn huis, die daar niet meer ‘behoorde’ te leven. Ook het trachten te overtuigen van ander mensen tot onze denkbeelden, new-age-waarheden of andere religiën, behoort tot het zorgsyndroom. Wat we hierbij vaak niet in de gaten hebben, is onze grenzeloze –en hopelijk onbedoelde- arrogantie. Want eigenlijk zeggen we: “Jij kunt zelf niet denken, beslissen, zorgen et cetera, daarom doe ik het voor je. Mijn gedachten zijn immers beter, verstandiger dan die van jou. Ik ben derhalve een beter mens dan jij.”

Bewust zal iemand dat niet zo gauw zeggen – hoewel dat van een verfrissende eerlijkheid zou getuigen – omdat deze zaken in ons onbewuste plaatsvinden. Bewust zeggen we: “Het doet me pijn om te zien hoe je leeft; laat mij je helpen om een beter leven te krijgen.” Onbewust geven we echter een geheel andere boodschap, namelijk: “Het doet me pijn om te zien hoe je leeft, omdat het niet strookt met mijn ideeën en overtuigingen over het leven. Help me van die pijn af door te doen wat ik je zeg, want ik wordt bang als mijn overtuigingen onjuist blijken te zijn.” Heel kort gezegd: “Laat mij je helpen, want zo help ik mezelf.”

De motivaties voor het zorgsyndroom zijn legio: naast de hierboven genoemde angst voor ‘anders denkenden’, is er bijvoorbeeld het plekje in de hemel dat moet worden verdiend. Wanneer wij goed voor anderen zijn, worden wij geoordeeld naar onze daden en we hopen van ganser harte dat dit oordeel zo niet goed, dan toch tenminste mild zal zijn. Ook hier komt de huichelarij om de hoek kijken en het vergt een scherpe blik om deze te herkennen.

Klassenrouw
Wat doet mensen besluiten om drie minuten stilte te houden voor de 9/11 aanslagen in Amerika, maar niet voor de duizenden die zijn omgekomen bij de aardbevingen, overstromingen en oorlogen, in landen die wat minder snel op de televisie komen?  Dagelijks laten we de doden in stromen aan ons voorbij trekken in de beelden van het journaal: oorlogen, hongersnoden, tirannie en andere aanleidingen tot grote sterfte bepalen een groot deel van het nieuws en wij kijken er naar en raken immuun voor de gevoelens achter de beelden, voor de boodschap die ons tot het verzadigingspunt bereikt. Waarom dan toch een stilte van drie minuten bij de even verschrikkelijke gebeurtenissen in New York? Heeft het wellicht te maken met ons idee over ‘beschaving’? Of is het inderdaad mooi scoren met rouwen wanneer het ellende betreft die in het nieuws is?

Welke arrogantie doet ons besluiten dat wij het beter weten dan anderen en dat we ze ongevraagd hulp moeten opdringen? Wat op het eerste gezicht hulpvaardig, bemoeizuchtig en zelfverzekerd lijkt, komt eigenlijk voort uit een enorm minderwaardigheidscomplex. Wanneer mensen zich werkelijk goed en tevreden zouden voelen en geen last hadden van het zorgsyndroom, dan zouden ze zich niet overal mee bemoeien maar andere mensen hun leven laten leiden zoals deze mensen dat zelf verkiezen. De zendelingendrang uit vroeger tijden heeft plaats gemaakt voor inmengingsdrang, terwijl de onderliggende motivatie voortkomt uit dezelfde angst: ‘Je mag niet anders zijn / denken dan ik’.

Verschil tussen gevraagd en opgedrongen
Let wel: het gaat hier om hulp waar niet om gevraagd wordt. Als je iemand in nood, pijn, honger of iets dergelijks helpt, is dat een andere zaak. Natuurlijk kun je iemand helpen die daarom vraagt en er is uiteraard niets op tegen als dat jou en de ander een goed gevoel geeft. Het goede gevoel van de helper ontstaat veelal uit de conclusie –vaak onbewust- dat hij of zij zich nuttig maakt; niets op tegen.

Uit dezelfde onderliggende angst (jij mag niet anders zijn dan ik) is destijds het verstrekken van financiële hulp aan armere mensen ontstaan. Door geld, eten en goederen te schenken aan mensen die armer waren, wisten de rijken zich redelijk verzekerd van bescherming van hun welzijn en welvaart. Op die manier konden ze protest en opstanden voorkomen en hun bezittingen veilig stellen. Daarnaast susten ze op dezelfde manier hun schuldgevoel als sommige mensen die geld geven aan goede doelen.

  • Angst voor beoordeling
  • angst voor veroordeling
  • angst voor het onbekende; het anders zijn
  • angst voor de toekomst (‘kom ik wel in de hemel?’)
  • Angst, angst en nog meer angst.

Angst voor afwijzing
De angst voor afwijzing is een belangrijke drijfveer voor veel mensen op zeer veel gebieden in hun leven. Een groot deel van onze maatschappij is ingericht op basis van die angst. Verzekeringen zijn het duidelijkste voorbeeld. De mode moet gekocht worden omdat we er anders niet bij horen; veel mensen hongeren zich vrijwillig bijna dood om aan het slanke beeld te voldoen, ons al jaren zo voorgeschoteld door de media; we geven geld aan de collectant terwijl we amper weten waar de namen  Wilhelminafonds of Simavi voor staan, en om ons schuldgevoel af te kopen; en kijken we ook niet altijd even op de lijst die moet worden ingevuld, naar het bedrag wat de buurvrouw vóór ons heeft gegeven?

Wij helpen!
Ik ben eens uitgenodigd voor een feest. Op de uitnodiging stond dat de gastvrouw en –heer graag geld wilden in plaats van een cadeau. Nadrukkelijk werd vermeld dat het geld voor Unicef was bedoeld. Het was een tuinfeest en aan de ingang stond een grote melkbus met een bord, waarop was geschreven dat het geld in de melkbus gedaan kon worden en dat het naar Unicef zou gaan. Het was een luxe feest, met allerlei muziekbands en tafels vol drank en eten. Een paar dagen na het feest kreeg ik een bedankbriefje met de vermelding dat mijn bijdrage naar Unicef zou gaan. Ik bedoel: als iemand nou werkelijk zo begaan is met het werk van Unicef, dan zou hij een feest met bijkomstigheden ter waarde van een paar duizend euro kunnen uitsparen om dit geld aan Unicef te schenken, toch?

Begrijp me goed: ik vind het werk van Unicef fantastisch; zeker en vooral kinderen dienen beschermd te worden tegen geweld en armoede. De andere motivatie boeit mij echter ook bijzonder: waarom zo’n ophef gemaakt van je bijdrage aan een liefdadigheidsinstelling of hulporganisatie? Wat moet er bevestigd worden?

 


Dit artikel is eerder gepubliceerd en als deeltekst in een van mijn boeken opgenomen, en het heeft een paar keer aanleiding gegeven tot vrij heftige reacties: kennelijk raakt het iets in mensen en dat is altijd prettig voor een schrijver. Ik wil er wel – hopelijk ten overvloede – aan toevoegen dat deze tekst absoluut niet slaat op mensen die zich dagelijks inzetten om het leed en de onveiligheid in de wereld tegen te gaan, zoals verzorgenden en verplegenden, artsen, politie et cetera. Interessant gegeven vind ik dat dit nou juist vaak de mensen zijn die je er niet over hoort…