Het priesterskind

Zij bad dat het nimmer zou geschieden

Maar had het niet kunnen voorkomen

Zijn preken, zijn spreuken, ze deden haar zieden

Halverkerks zat zij van verlangen te stomen

 

Na de dienst ging zij hem spreken

Sprak hem zonder vrezen aan

Hij had allang en breed gekeken

En liet zijn kandelaber staan

 

Haar tondeldoos die vatte vlam

Hij kon niets meer dan blussen

Ontvlamde toen hij nader kwam

En smeekte ondertussen

 

Lieve heer, vergeeft u mij

Mijn lust en mijn geklodder

Maak me deze keer toch blij

Met slechts een losse flodder

 

Helaas voor deze prediker

Was zij bezwangerbaar

En droeg zij naderhand

Een klein kindje zwaar

 

In arren moede heeft hij toen

Na ’t uitgeblust verlangen

’s anderendaags zo rond het noen

Zich aan een touw verhangen

 

Zij treurde zeven manen

Begroot en bitter schreide zij

Toen sprak zij door haar tranen

Dit priesterskind is nu van mij