De zintuigen voorbij

 

Zo’n dag waarop wazige trillingen boven het veld aangaven dat de warmte van de vorige dag nog zacht dampend opsteeg  uit de grond, terwijl de hitte van de huidige dag alweer een rentree maakte. Hier en daar bewoog loom een blad en was in de verte vaag geruis van een beek of rivier te horen. Heel ver weg bromde de motor van een vliegtuig. In deze betrekkelijke rust slenterde hij voort; geen haast – slechts een ontsnappen aan de drukte van de stad.

Zijn auto stond een paar kilometer terug, aan de kant van een onverharde weg, bij een goed onderhouden rood hek aan een weiland met een paar lome koeien. Vanaf daar was hij gaan lopen en het was juist het droge, hete weer waar hij van genoot. De hitte perste essenties uit de begroeiing die anders zorgvuldig verpakt zouden blijven in blad en knoppen, in steel en zaden. De al dagen voortdurende warmte echter, dwong de bloemen en planten hun dieper bewaarde aroma’s prijs te geven, waardoor de lucht verzadigd werd door een bonte werveling van geuren. Zoals de hitte van het bestaan de mens soms kon dwingen zijn diepere essenties bloot te geven, die onder milde omstandigheden verborgen zouden zijn gebleven. Subtiele, nauwelijks waarneembare geuren, de stemming zacht prikkelend; en sterker aanwezige die geen weerstand duldden en zich moeiteloos opdrongen. Het was vooral de harmonie tussen deze uitersten die het geurenmengsel draaglijk en zelfs aangenaam maakten.

Alsof de wereld echter werd naarmate hij verder van de stad kwam, verdiepten zich de kleuren op het veld en in het bos. Het bladergroen leek bijkans vochtig, zo glom het van kleur. Een enkele streek violet, waargenomen vanuit een hoek van zijn blikveld verried de aanwezigheid van wat wilde bloemen tussen het mos. Deze strelingen van kleur vulden zijn hart en gaven hem een gevoel van volledigheid. Hij had bij sommigen hetzelfde zien gebeuren: een loutering door leed; door moeilijkheden en soms zelf door helse pijn, gebrek, armoede… Het waren dan juist die mensen die weliswaar aanvankelijk geschonden, maar allengs dieper van kleur, van inhoud bevangen raakten; ze straalden simpelweg meer uit dan het gros.

Het was dit bad voor de zintuigen dat maakte dat hij keer op keer uit de stad trok om op het platteland te vertoeven.
Bij het gefluit van vogels, het geritsel van bladeren en een enkele zachte kreun van een boomstam was het alsof de wereld zoals hij die kende, met haar beperkte schakeringen en grijzen was opgehouden met bestaan, om vervolgens als de tomeloze expressie van een begaafd schilder verder te gaan.

De wereld ging hoe dan ook verder: met of zonder veel kleur. Zoveel wist hij alvast.

Er waren tijden geweest waarin hij daar helemaal niet zo zeker van was. Dat hij op bijna mechanische wijze de dagen doorkwam. Waarbij het niet had uitgemaakt of hij sliep of wakker was, werkte of vrij was; het leven hobbelde voorbij in een eindeloze verstarring van sociale kramp, maatschappelijke dwang en toenemende fysieke belemmeringen.
“Stress,” luidde het etiket. Dat had hij zelf al bedacht. “Praten; praat het van je af,” luidde het advies: hij had het niet beter kunnen verwoorden. Het deed echter niets af aan de uitzichtloosheid die hij ervoer en die hij wilde achterlaten toen hij naar beneden had gekeken en zich afvroeg of hij onderweg nog iets zou voelen. Veel tijd om dat te ervaren zou hij niet hebben, had hij bedacht; in hooguit twee seconden kon je niet veel, qua denken en ervaren.

Dat hij op een bepaald moment opzij had gekeken, veranderde alles en had hem weerhouden. De winter waarin hij op eenzame hoogte stond te aarzelen over een besluit, had een koude wind door zijn haren gespeeld, zijn vingers verdoofd en zijn gezicht tot een star masker verkild – slechts een verscherping van zijn dagelijkse januskop. Zijn adem was in wolkjes naar buiten gekomen. Vanuit zijn ooghoeken had hij een kleine beweging links van hem waargenomen, en toen hij zijn hoofd opzij draaide – verbaasd dat ze hem midden in de nacht hadden weten te vinden; hij had niemand iets verteld… er was immers niemand meer – had hij gekeken naar de plek waar hij de beweging had gezien. Een duif zat op de rand van het dak en keek hem even aan, waarna het dier zijn kop draaide en voor zich uit keek.

Hij wist niet hoe het kwam, maar er was iets veranderd door de simpele gedachte dat de duif niet betrokken was bij zijn problemen. Toen hij daarna over de rand van het dak keek, wist hij dat zijn moment voorbij was. Hij had zich omgedraaid op hetzelfde moment dat de duif was opgevlogen.

Daarna was zijn leven veranderd. Hij had ontdekt dat hij niet meer bang was of dat zelfs maar kon zijn. Voor zijn gevoel was hij al gestorven en was iedere angst die hij voordien had gehad een afgeleide van doodsangst. Nu hij geen doodsangst meer kende, waren alle andere angsten verdwenen of verschrompeld tot een licht ongemak.

Doordat hij daardoor ook geen angst voor tekort meer kende, hield hij op met doen waar hij een hekel aan had: zijn werk. Hij zegde zijn goedbetaalde baan op en nam een baantje bij een fabriek, waar hij in de kantine schoonmaakte, achter de kassa zat en gebruikte dienbladen ophaalde. Luxe kon hem niet meer boeien: hij hield er een kleine, goedkope auto op na, huurde een klein appartement, had wat spaargeld en dat was het. En hij begon de stad te ontwijken, zo vaak hij maar kon. Steeds langer bleef hij weg op zijn tochten en steeds kwam hij verkwikt maar met heimwee naar de zinnelijkheid van het buiten terug in de stad.

En vandaag, in de zinnenstrelende potpourri van kleuren, de streling van aroma’s en de schakering van bijna krokant te noemen kleuren, besloot hij definitief om te blijven. Hij ging zitten, keek een tijdje naar de lange rillen in de stam van een boom tegenover hem, en sloot toen zijn ogen.

Hij was er.

 


Deze metafoor bevat een analogie over het hervinden van de zin van leven, juist op het moment dat dit nauwelijks denkbaar is.

Degene voor wie ik het schreef is er nog.