Frikandelverheug

  • 1

Frikandelverheug

Category : Geschrijf

Uit de reeks Cafetaria Zuid:

Frikandelverheug

Elke vrijdag, zo rond half zes. Het echtpaar dat de cafetaria runde wist het precies en deed ook geen moeite meer om te vragen wat hij wilde. Wanneer hij binnenkwam met een licht geklingel van het belletje boven aan de toegangsdeur zag je het echtpaar – nooit de man of vrouw alleen – denken: “O ja, vrijdag, half zes.” Ze lazen als het ware aan hem de dag van de week en de tijd af, en zaten er nooit meer dan vijf minuten naast.

Zij groetten hem dan vriendelijk, lieten de frikandel in het hete frituurvet glijden en namen hun lang getrainde en de henzelf geheel eigen gemaakte frituurstand weer aan: hij een hand op de toonbank, de blik naar buiten gericht; zij frommelend met een theedoek, starend naar het borrelende vet.

Jaren geleden, toen het echtpaar nog maar pas de cafetaria had overgenomen van de vorige eigenaar en man en vrouw dus nog niet op de hoogte waren, wilden ze nog wel eens een praatje  aanknopen. Och, en het was niet dat hij ze had afgeblaft of dodelijk verschrikt had aangekeken, maar zijn vriendelijke knikje en het uitblijven van een verbale reactie had ervoor gezorgd dat ze al snel wisten dat hij niet om een babbel verlegen zat of een uitwisseling over het weer wilde houden. Hij noemde zijn bestelling, stak zijn handen in zijn zakken en staarde naar een punt in de verte; ver voorbij de menukaart aan de witbetegelde wand, die eenmaal per week door de vrouw van het echtpaar werd afgenomen en zodoende nooit al te vettig werd. Sowieso betrof het een vrij propere uitbating en het vermoeden rees al snel dat de vrouw ook vrij schoon op zichzelf was. Van de man kon daar nog aan worden getwijfeld, al wist men zulks natuurlijk niet zeker.

Het echtpaar was zoals gezegd snel aan de rust, de stilte gewend geraakt en na een aanvankelijk maar allengs minder voorkomend: “Hetzelfde maar weer?” bleef het verder stil. Het was eigenlijk wel aangenaam zo, die stilte; slechts doorbroken door het dof geborrel der bruingele bellen, van de frikandel die door de hoge temperatuur en ook door de samenstelling van het frituurvet werd voorzien van een knapperig, maar niet al te krokant korstje waardoor de binnenkant smeuïg en lekker warm bleef. Vaag klonk er wel eens een geluid van buitenaf maar dat drong nauwelijks tot de vredige stilte in Cafetaria Zuid door.

Je zou het bizar kunnen noemen, of gewoon dom toeval, maar hij stond er elke vrijdag rond half zes als enige klant. Op een of andere gekke manier kwam er nooit iemand als hij er stond. Of eigenlijk: één keer was de deur onder het inmiddels familiaire geklingel opengegaan, waarna een vrouw haar hoofd om de hoek stak, even rondkeek en met een zacht: “O sorry” weer verdween. Het echtpaar zowel als hij waren licht verbaasd geweest maar het ritme was ondanks de onderbreking niet noemenswaardig verstoord.

Verder stond hij er altijd alleen. En hij was er de frituurklant niet naar om nietszeggende stiltevermijdingsgesprekken op gang te brengen als: “Rustig zeker?” of: “Zo, weer bijna weekend, mensen.” En dus bleef het stil, op het zachte borrelen van de frituur en – voor wie goed luisterde – een licht gezoem van de ijsmachine na.

Vrijdags om half zes was Cafetaria Zuid het heiligdom van hem, het echtpaar en de frikandel; een beheerst soort heiligdom, zonder de fratsen en het drama van de katholieke kerk of van de tegenwoordig zo talrijk aanwezige new-age bewegingen, maar met een soort verstilde eerbied: alsof het leven even stilstond voor deze drie mensen, de frituur als altaar en de frikandel als heilig relikwie. Het was een devotie van bescheiden aard, die niet hoefde te worden benoemd, wat dan ook niemand deed.

Na het vereiste aantal minuten werd de frikandel in een vloeiende beweging van schuimspaan en knijpvork uit het vet gelicht, met vier middelsterke zwiepen van druipovertol ontdaan en in het zakje gelegd; het zakje dat al die tijd al zwijgend had liggen wachten, vakkundig en routineus opengesperd door de vrouw. Zij was van het zakje, het theedoekfrommelen en de witte tegelwand; haar man regelde frituurbeheer, frikandelinpak en het afrekenen.

De frikandel werd met een beheerste presentatie op de toonbank gelegd, waarop hij geld – altijd gepast – neerlegde.

“Eet smakelijk,” zei de man van het echtpaar dan, waarop hij “Dank u. Een plezierig weekend,” antwoordde, waarna de man knikte en de vrouw een ingehouden, “Insgelijks,” mompelde. Hij pakte het zakje met de frikandel voorzichtig met zijn rechterhand op aan de dichtgevouwen bovenrand, schulpte zijn linkerhand om de onderkant zodat er een soort omvatting ontstond die wel wat leek op een lectuurbakje, waarbij het zakje met de frikandel als opgevouwen krant figureerde. Genietend van de door het knisperende zakje heen dampende hitte op zijn hand, opende hij de deur van Cafetaria Zuid en belklingelde naar buiten, de wereld in; op weg naar huis, een krappe twee minuten lopen vanaf de snackbar.

Thuisgekomen trok hij zijn jas uit, pakte een Brabants boerenbont boterhambordje uit de kast, legde mes en vork klaar, waste zijn handen, deed de frikandel uit het zakje op het bord, vouwde het zakje op en gooide het in de prullenbak. Dan nam hij plaats aan de kleine eettafel van licht grenen.

Eerst keek hij. Altijd. Hij nam de diepbruine kleur van de snack in zich op; de rimpelige huid die de zachte, beige binnenkant verborg – nu nog althans – en dan rook hij. De pittige, kruidige geur van het mengsel waaruit de frikandel bestond vulde zijn neus en hij snoof altijd graag een keer extra om te genieten van deze ervaring. Ook ried hij dikwijls de kruiden die in de lekkernij waren verwerkt, en het deerde hem niet of hij de juiste kruiden en specerijen wist: hij voelde geen enkele behoefte om informatie daarover in te winnen. Kruidnagel, vermoedde hij, nootmuskaat en peper; wellicht een accent van kerrie, maar daar wilde hij van af wezen. Hij genoot, dat was de hoofdzaak.

Na het kijken en proeven – wat hij uiteraard tijdens het nuttigen van de langwerpige hap bleef voortzetten – verlegde hij de nadruk op het aansnijden van de frikandel; en hij genoot intens van de tactiele gewaarwordingen: de vork die aanvankelijk enige weerstand ondervond bij het prikken door het wat taaiere huidje, waarna een bijkans zinnelijk glijden door de zachtere binnenkant volgde. Het exact op tijd inhouden van gewicht, massa, druk op de vork zodat deze in het midden van de frikandel tot stilstand kwam en niet – zoals men dat wel zag bij de minder ervaren of aandachtige smikkelaars – door de staaf heen schoot met een afstotelijk piepen van metaal op Brabants boerenbont.

En dan. De subtiele trilling die zich vanuit de ribbeltjes, vooraan in de snijkant van het mes voortzette tot in zijn hand als hij met zachte, beheerste beweging een dun schijfje van de frikandel schuin en dus langer afsneed, deed hem huiveren van genot. Het geleek schier een sensuele streling, al zou hij deze sensatie niet verwarren met het eveneens vervullende seksleven dat hij had.

Dat eerste schijfje: het kontje, met aan één kant maar ook rondom, het donkere velletje. En aan de andere kant de zo weerloos dampende beige substantie met wederom een versterkte stroom van geursensaties. En al die tijd, gedurende de gehele reis langs de volledige lengte van de frikandel, de wetenschap – het vertrouwen zelfs – dat daar aan het andere eind van de smulreis, de opposant, de antagonist van het eerste kontje, zich bevond. Het tweede kontje en tevens de afsluiting van het heilig maal der vrijdagmiddag.

Maar voor het zover was moest er nog een hele frikandel worden gegaan; zowaar geen geringe maar nochtans bijzonder aangename opgave!

 

Iedere hap een hemels gerecht. Het zacht spuiten van gekruid sap bij het terugverende vlees tegen de bijtende tanden. Die ene zoute druppel, verloren tussen binnen en buiten, in mondhoek of op lip, schielijk bijgezogen met een vlotte lik. Het zachte binnenwerk dat zich gaandeweg gekauwd mengde met de wat krachtiger huidstructuur dat door het op ambachtelijke wijze verhitte bakvet van stevigheid was voorzien; in culinair verantwoorde banen geleid door de zo liefdevolle verzorging uit handen van het zojuist al genoemde echtpaar dat Cafetaria Zuid exploiteerde.

Flinterdun genot in schuins afgesneden schijfjes hartelijkheid, onbevlekt door mayonaise, uitjes of ander begeleidend garnituur. De pure frikandel, en niets dan dat.

Soms huilde hij bijna. Van puur genot. Een sentiment dat hem niet in het minst verontrustte of zelfs verstoorde. En natuurlijk kende hij alle verhalen van de zogenaamd deskundigen, over paardenogen en schapenoren, en zo nu en dan een verloren slachthuismedewerkersvinger. Maar die verhalen gingen aan hem voorbij.

Dit was vrijdag.

Dit was frikandel.

Dit was genot.

 

 

 


1 Comment

Fred van Twuijver

15 mei, 2013 at 9:34 pm

Ik denk aan Kees Brusse, als ik dit lees :)….Heerlijk!

Leave a Reply