Het kerstverhaal van de duvel en zijn ouwe moer

  • 1

Het kerstverhaal van de duvel en zijn ouwe moer

Category : Geschrijf

Een bittere, bijtende koude; zo een die het tandbeen aanzette tot het zingen ener zenuwlied dat door merg, been en vooral tandwortels gaat – zo’n koude dus – deed het land ondergronds scheuren. Reten waarvan pas later wanneer de dooi alweer gevorderd zou zijn het ongemak zou worden ervaren, groeven zich krakend een weg in het onderaardse. Maar daar had geen mens weet van. Daarboven, op het oppervlak zelf, spreidde zich een bijkans onwerelds landschap oogverblindend uit. Een pracht van fonkelend ijs: een sneeuwdeken als poedersuiker, gestrooid door meesterbakker, gezel of knecht – daar wil men maar af wezen – met staalvaste hand; welk poederchromen oppervlak slechts hier en daar werd onderbroken door dissonanten van zwart en grijs, waar een boom het zich permitteerde deze deken van bitterkoude welgevalligheid te trotseren.

Men noemde dat in de streken waar deze geschiedenis speelde ook wel winter.

“Het was winter” zou dan een hele alinea vol couleur locale, metaforen, analogieën en andere spitsvondige vergelijkingen zoals hierboven kunnen vervangen.

Doodzonde.

Tijdens deze scherpe koude nu, ontstond enige beroering in het weiland van boer Broekgraver, die hier overigens niets van meekreeg en pas de volgende dag zou merken dat er iets veranderd was, vanwege het eenvoudige feit dat hij luid snurkend in de stal lag te slapen naast zijn door hem eerder die avond zo hartstochtelijk beminde schaap Kneeltje. Dat Kneeltje de favoriet was van Broekgraver en daarmee het lot van de overige ooien der stal anderszins bepaald bleef, behoeft hier verder geen uitleg: het zou weinig tot niets bijdragen aan de vertelling, en het zou u – de lezer die ik zo hoog acht – maar van de draad en intrige afhouden terwijl we allemaal weten, u zowel als uw schrijver, dat het juist deze twee elementen zijn die het verhaal nog enige beweging, vaart, ja zelfs momentum verschaffen waarin wij kunnen aanhaken met een gemiddelde leessnelheid en derhalve onze gedachten bijhouden in de respectieve tempi en maten.

Natuurlijk zijn stijl en dialoogattributie tevens van belang, maar toch. Houden we het gegeven nog  los dat vrouw Broekgraver een kleine twintig el van haar schandschapige vent in de echtelijke doch heden ten dage weinig bedauwde sponde lag, vergezeld van reuzel en pook, massageolie en naar lavendel geurende gastendoekjes: het mens moest toch wat! Ze nam het Kneeltje overigens niet kwalijk, daar ze de in aanleg slechte inborst harer kerel wel kende en er al jaren geleden komaf mee had gemaakt; Dirkje Broekgraver – Speentjens redde zichzelf wel, meneer!

De beroering dan, midden in het land van de bestiale boer, nam zorgwekkende vormen aan en na nog een diep gerommel reet de grond in een volmaakte cirkelvorm uiteen, slechts een ietwat gerafeld aan de randen door een bevroren graspolletje of soortgelijk. Groengele dampen kringelden uit het immens duistere gat dat was ontstaan naar boven, als waren het voorboden van de symbolische zwavelgerelateerde oerkracht die zich gezien zijn omvang nog vrij vlotjes uit het gat naar boven werkte en hijgend op de rand van de helleput bleef staan. Sneeuw en ijs smolten tot geruim acht meter om de verschijning heen en rond zijn klauwende en afzichtelijke poten begon het bevroren gras te smeulen dat het een aard had.

De duivel, want als zodanig zullen jullie – mijn oplettende, erudiete en immer wakkere lezers en ook lezerinnen – hem waarschijnlijk allang hebben herkend, deze dampende groenekerel dus, verloor geen tijd aan het bewonderen van het landschap en toog op weg: voorwaarts door het verstilde en ijskoude land, dwars door prikkel- en stroomdraden, over wegen en paden, door bevroren sloten en kanalen, teneinde te eindigen voor een mooi en kitscherig verlicht herenhuis, waar hij stilhield voor de rijk versierde voordeur. Een krans van hulst en linten hing ter kerstversiering op ooghoogte. Hij griste het ding van de deur en vrat het op. Slechts een spijker en een kort stukje lint spoog hij in een nonchalante boog naast de entree. Met zijn harde vuisten beukte hij op de deur. Na een tijdje klonken er voetstappen en werd de deur voorzichtig geopend. De man die de deur opende trad naar buiten en bekeek de duivel van top tot teen. Een zacht gereutel was te horen vanaf zijn achterkant en verried dat hij de controle over zijn export was verloren. Daarna zeeg hij met van zijn ogen nog slechts het wit zichtbaar bevallig ineen op het bevroren graniet van de voordeurstoep.

“Mietje,” mopperde de duivel, stapte over de flauwgevallen yup heen en trad een protserige hal binnen. Een jonge vrouw kwam hooggehakt aangetrippeld en keek verbijsterd naar de walmende wandelaar in heur hal.

“Wat…” begon ze. “Wie… en eh… waar…”

“Wezen uit de onderwereld, duivel en buiten.” Zei de duivel tegen het wicht, wier gezicht de verveling, de leegte en het smachtende snakken verried van hen die slechts oog hebben voor status, carrière en andere wereldse bagatellen. Ze staarde hem verbijsterd aan.

“Huh?” was wat ze wist uit te brengen.

“Hah,“ antwoordde de duivel. “Je vroeg ‘wat’ en ik zei ‘wezen uit de onderwereld’. Op je vraag ‘wie’ stelde ik me netjes voor, en op ‘waar’ antwoordde ik waar die slappeling van een vent van je ligt. Omdat je niet bent flauwgevallen mag je me vertellen wat de drie belangrijkste dingen in het leven zijn volgens jou. Als je juist antwoordt, krijg je de kerst van je leven, anders laat ik je zitten in de troosteloze put die jij je leven noemt. Drie dingen: begin maar.”

Het wicht keek hem hulpeloos aan. “Dus als ik goed antwoord krijg ik een prijs en als ik fout antwoord verandert er niets?”

Hij zuchtte. Dit ging een lange nacht worden. “Dat klopt.”

Ze ontspande een weinig. Hij zag haar bijna hardop denken; als ik die mafkees snel loos, dan kan ik op zoek naar Peter-Rudolf om te vragen waarom hij mij deze streek leverde. Ze draaide een van haar voeten een beetje naar binnen waardoor haar knieën tegen elkaar kwamen, hield haar hoofd een weinig schuin, tuitte haar mond in een niet onverdienstelijke duckface en knipperde bevallig met haar ogen.

“Nou, laat me eens kijken,” kirde ze.

“Hou op met dat papa’s-kleine-meid-gedoe en zet je voeten normaal neer, aanstelster van een gedrocht dat je er bent, en beantwoord gewoon de vraag!” bulderde de duivel. Haar voet schoot recht, haar hoofd ook en het getuit en geknipper waren fluks opgehouden. Ze was onder de indruk: normaal gesproken werkte het altijd bij mannen.

“Nou, eh, de drie belangrijkste dingen in het leven zijn liefde, vrede op aarde en eh…”

“Stop maar,” onderbrak hij haar. “Leuk voor een missverkiezing, meidje. Zoals beloofd: er zal niets veranderen in je leven. Uiteindelijk zul je sterven in leegte en onvervulde verlangens.”

“Maar wel met genoeg spulletjes?” vroeg ze nog. Hij schudde zijn hoofd.

“Wat was het laatste dat je werkelijk voor iemand anders deed?” vroeg hij. Ze dacht er even over na en haar gezicht klaarde op bij een herinnering.

“Ik heb boodschappen gedaan voor een buurvrouw die ziek thuis is.”

“Uit jezelf?”

“Nou ja, haar zoon vroeg me of ik het wilde doen; hij moest met het vliegtuig terug en gaf mij een briefje met wat boodschappen die zijn moeder nodig had, met de vraag of ik zo goed zou willen zijn…”

“En dat heb je gedaan.”

“Ja.”

“Uit goedheid?”

“Eh.. ja, uiteraard. Ik had ook kunnen weigeren natuurlijk.”

“Is dat zo? En had je je vervolgens niets aangetrokken van de praatjes die er over je de ronde zouden doen als je had geweigerd boodschappen te doen voor de zieke, oude buurvrouw?”

“Nou, ik eh..”

“Heb je het uit goedheid gedaan, zeg je?”

“Ja, ik hoefde er toch niets voor terug?”

“Nee? Hoe lang duurde het nadat je de boodschappen had gedaan, dat je het op Facebook en Twitter zette; met de verzuchting dat het heerlijk is om iets voor een ander te kunnen betekenen?”

Ze boog diep beschaamd haar geaanzetpermanente hoofd, waar toch alweer enige uitgroei viel te bespeuren. Hij vleide zijn hand onder haar kin en tilde haar gezicht op.

“Niet treuren, kleintje,” sprak hij, voor zijn doen vrij teder.

“Het is helemaal geen schande om iets voor een ander te doen om er zelf een beter gevoel van te krijgen, een plekje in de hemel proberen te bemachtigen of om anderen te laten weten hoe goed je bent en daaruit bevestiging te krijgen. Die onzekerheid kennen veel mensen en er is niets om je voor te schamen.” Hij keek haar met strakke blik aan.

“Het is zelfs niet erg om anderen te laten denken – als ze er al intrappen natuurlijk – dat je het alleen vanuit je goede hart doet; kijk mij eens goed voor anderen zijn. Als je maar zorgt dat je nooit, maar dan ook echt nooit jezelf voor de gek houdt en jezelf wijsmaakt dat het je goedhartigheid is die zorgt dat je iets voor een ander doet. Pas als je iets doet voor een ander zonder er een goed gevoel of andere bevestiging voor terug te verlangen, ben je bezig met iets dat hoger gaat dan je dwaze, aardse verlangen naar acceptatie en bevestiging van anderen.”

Ze keek hem aan met iets van begrip, maar hij wist dat ze zich dezelfde dag opnieuw in slaap zou sussen met de geruststelling dat ze werkelijk iets voor anderen wilde betekenen. Zinloos, maar hij kon het preken zo nu en dan nou eenmaal niet laten.

Hij vertrok, voordat hij zich zou bedenken.

Het volgende huis waar hij kwam was gehuld in duisternis; krans nog hert, slede noch kerstman ontsierde de groezelige voordeur. De man die op zijn bonzen opendeed nam hem net als de man eerder van top tot teen op maar viel niet flauw. In zijn vlekkerige t-shirt en afgezakte broek zag hij eruit als de doorsnee-Onslow; van die mannen die niet wisten hoe snel ze mooie kleren aan moesten schieten en deciliters after-shave over zich heen gieten als het ging om ander gezelschap dan hun eigen vrouw.

“Ja?” Vroeg hij, enigszins onverschillig maar met een duidelijk noordelijk accent, waardoor er toch nog enige mystiek in dat ene woord school. De duivel voelde een sprankje hoop. Misschien was deze man…

“Noem me drie dingen die in het leven echt belangrijk zijn,” zei hij tegen de man. “Als je juist antwoordt, zal ik ervoor zorgen dat je een kerst als nooit tevoren beleeft. Als je fout antwoordt, verandert er niets in je leven.” De man keek hem een ogenblik nors aan.

“En waarom zou ik dat voor een of andere dampende, groenige kerel met veel te grote poten doen?”

De duivel gebaarde achter zich. Een auto, die langs het trottoir stond geparkeerd, verschrompelde tot een klein blok samengeperst schroot.

“Dat kan ik ook met mensen,” zei de duivel. De man leek overtuigd, temeer daar het zijn eigen  auto was die hij net tot schroot verschrompeld had zien worden.

“Hm juist ja,” zei hij. “De drie belangrijkste dingen in het leven. Niet zo moeilijk dacht ik.”

“Voor den draad ermede dan,” sprak de duivel autoritair.

“Vreet’n, zoep’n en op de proeme kroep’n” zei de man en keek de duivel triomfantelijk aan. Na een weinig raadplegen zijner kennis der dialecten begreep de duivel dat hier werd bedoeld: Eten, drinken en de lichamelijke liefde bedrijven; het laatste ook wel vertaald als het exploreren (en soms zelfs ook exploiteren!) door twee al dan niet geliefden hun beider pretparken; ofwel de fysieke lust aan elkander offeren, een schorseneer in het zuur zetten,het deelkneden tot ongekende uitkomsten, het ontvlieden der zachtzoete sappen in samenkomst der geboortevruchten, het elkaar minnekozen, het olijk kwinkeleren der schandvogeltjes, het ongegeneerd schaamklappen, de ritmische beddeprak, het wortelbergen, de put dempen, het … enfin: u begrijpt nu zeker wel dat het hier ging om de heilige ontwijding der zure tempel, ook wel het vleselijk bacchanaal genoemd. Al met al kwam dit toch aardig in de buurt van wat hij zocht en de duivel stond op het punt om de man in elk geval een mooie kerst te bezorgen alvorens op zoek te gaan naar een nog beter antwoord, toen plotsklaps een schrille stem uit het huis klonk.

“Jan! Wie is dat?” Onslow bleek Jan te heten dus. Jan zuchtte.

“Niks, niemand, bemoei je er niet mee en houd je bek!” Hij keek de duivel aan.

“Mijn vrouw,” zei hij.

“Die moet af en toe een lesje, als je begrijpt wat ik bedoel.” De duivel knikte. Hij begreep het, en zijn verlangen om de man te belonen was volkomen verdwenen. Sterker nog: hij kreeg zin om hem dezelfde behandeling als daarnet de auto te laten ondergaan, maar hij bedacht zich.

“Corrigerende tik zo af en toe?” vroeg hij met een knipoog aan de man. Die grijnsde broederlijk en knikte.

“Daarna is ze weer weken zo mak als een lammetje,” grinnikte hij.

De duivel legde een langbenagelde wijsvinger op het voorhoofd van de man, die verstarde.

“Vanaf nu zul je verlamd zijn, telkens wanneer je de lust krijgt om je hand op te heffen tegen een vrouw. Elke gedachte aan correctie, straf of andere vorm van onderwerping verlamt je voor de duur van een half uur. Telkens opnieuw. Kijk zo.” De man stond als een rots en in zijn ogen verscheen de eerste paniek toen het tot hem doordrong dat hij geheel machteloos was. De duivel nam zijn vinger van het voorhoofd van de man af en keek hem aan. De verlamming week, althans voor dat moment.

“Er zal verder niets veranderen. Leef je miezerige leventje, laffe man.”

“En mijn auto?” vroeg de man.

“O ja, dat zou ik bijna vergeten,” zei de duivel. Hij wees naar het brok schroot waarna een knal door de stille straat klonk en een enorme rookwolk ontstond op de plek waar de auto eerst en het brok schroot later hadden gestaan. Toen de rook was opgetrokken, stond er een een fonkelnieuwe, roze herenfiets met kleurige lintjes aan de handvatten en bierfiltjes tussen de spaken. Op de voorvork waren twee halve wasknijpers bevestigd, zodanig dat ze een knus ratelend geluid zouden geven bij het wentelen van het voorwiel en het van spaak naar spaak klapperen der voornoemde halfknijpers.

“Probeer één ding te veranderen aan deze fiets, en je zult het bekopen. In het vervolg is dit je vervoer. Voor altijd. Probeer maar eens om het te veranderen. Je zult zien dat je dat niet fijn vindt. Wacht hier maar even; ik ben zo terug.”

Hij verlamde de man wederom, duwde hem opzij, liep de hal van het huis in en ging de huiskamer binnen.

Op de bank zat een vrouw die angstig naar hem opkeek. Hij staarde haar doordringend aan. Ze vroeg zelfs niet wie hij was, waar toch alle aanleiding toe zou zijn.

“Behandel je man goed,” zei hij tegen de vrouw. “Hij zal het nodig hebben.” Ze knikte braaf; het hert wist niet beter na ruim twintig jaar blinde gehoorzaamheid met als dank een stevige schrobbering zo nu en dan, iets stevigers nog nu en danner en met de de eeuwige, slaafse hoop op dat ene, bijna onverstaanbare compliment dat ooit zou komen. Ooit! Maar dat nooit kwam want hij ging immer vóór, voor haar, voor anderen, voor alles. Opgevoed als prinsje door zijn moeder die zijn uitwerpselen nog zou inlijsten indien haar de gelegenheid was geboden, en verlaten door een vader die walgde van de blinde verafgoding waarmee zijn echtgenote zich hoereerde aan hun zoon en waardoor de toen nog jonge knul volkomen werd bedorven tot het egocentrische zwijn dat hij was geworden. Waarom wist ze niet, maar ze had die verafgoding klakkeloos overgenomen van zijn moeder, waardoor hij nu prins zowel als koning was. Althans thuis: op het werk werd hij al jaren uitgekotst als de schlemiel die hij in werkelijkheid bleek; daar hadden ze het niet zo op zich slecht verzorgende prinsjes met gele tanden en riekende okselen.

En natuurlijk schoot dit alles slechts onbewust door haar eens zo knappe hoofdje, waardoor ze er niet echt weet van had en het weeë gevoel – gelijkend op onverklaarbare heimwee – toeschreef aan de naderende kerstsfeer en het vooruitzicht op de zoveelste kerstdag bij zijn moeder, met stapels fotoalba waarin slechts hij, en zonder die gemene, onverantwoordelijke vader, en …

“Hij zal jou vanaf nu ook goed behandelen,” rukte de duivel haar uit het loos gepeins. Een sprankje hoop verlichtte haar afgetobde gelaat. Meedogend als hij was, stak de duivel zijn hand uit naar haar en schonk deze door het leven, haar man en het lot geslagen vrouw de macht van de tong. Hij deed er verder geen uitleg bij: ze moest zelf maar uitvinden waar het toe diende en welke geweldige dingen ze er allemaal mee kon bewerkstelligen. De macht van de tong, een eeuwenoude bezwering die slechts weinigen werd gegeven, voorzag vrouwen van de mogelijkheid om onder alle omstandigheden en te allen tijde… enfin, we dwalen af, lieve lezers en we moeten voort! Alsmaar voort! Verder dan, want u zult onderhand ook wel eens willen weten hoe deze geschiedenis afliep.

De duivel keek nog even naar de bleke vrouw op de bank.

“Ge zult pijnloos sterven op hoge leeftijd, zonder ooit nog verdriet, pijn of ziekte gekend te hebben,” mompelde hij in een eeuwenoude taal, waarna hij nog een felgroene lichtstraal op het mens afvuurde, dat nu stom van geluk zat te stralen. Ze zou nooit weten wat haar had aangeraakt, maar genieten zou ze!

Hij merkte dat hij met zijn hoofd stond te schudden. Zijn goedertierenheid kende geen grenzen, leek het wel. Hij haalde zijn schouders op. Het was gewoon omdat ze hem deed denken aan zijn oude moedertje, die u – beste lezer en lezeres ook – vast nog wel kent uit de uitdrukking ‘de duvel en zijn ouwe moer’. Hij haalde zijn stekelige schouders op en vertrok. Bij de voordeur begon de man net uit zijn verlamming te komen. De duivel keek niet naar hem om.

Chagrijnig en ontevreden trok hij verder, sjokkend bijna; de ene bokspoot voor de andere. Natuurlijk wist hij zelf ook wel dat het in verhalen de derde keer altijd raak was, of het nou ging om huizen die niet omver geblazen konden worden of om sproken waarin zonen van semiwijze molenaars op pad werden gestuurd met een of andere onnozele opdracht: het was altijd de derde die de taak vol verve voltooide – deze laatste alliteratie zij de auteur wel vergeven zeker – waarna alles altijd goed afliep. Bah.

Al mokkend arriveerde de duivel bij het derde, en aan de hand van de hiervoor beschreven regel tevens laatste, huis. Voordat hij kon aankloppen, vloog de deur open en werd hij getrakteerd op een dodelijke blik uit de mooiste blauwe ogen die hij ooit had gezien. De wonderschone, jonge vrouw aan wie de ogen toebehoorden, keek hem zonder een sprankje humor aan.

“Wie ben je en wat is er zo enorm belangrijk dat je hier voor mijn deur staat te dampen alsof het niets is?” vroeg ze met verrassend heldere stem. Ja, dit kon wel eens de juiste zijn, bedacht hij. Hij maakte een lichte buiging en sprak beschaafd.

“Neemt u mij niet kwalijk, wonderschone dame,” begon hij.

“Geen flauwekul,” zei ze. “Wie ben je en wat moet je? Nu antwoorden of voor altijd verdwijnen.” Was hij een kat geweest: hij had luid gesponnen. Dit was goed!

“Ik ben de duivel,” zei hij. Tot zijn stomme verbijstering knikte ze.

“Dat dacht ik al,” en nu kom je met de vraag wat het belangrijkste is in het leven of zo’n soort flauwekul. Klopt dat?”

“Eh ja,” zei hij.

“En waarom heb je er zo lang over gedaan? Laat me raden: je kwam bij het eerste huisje en daar deed iemand open bladieblaat en die wist het niet pompidom en toen het volgende huisje en daar ook niet en …” Ze zuchtte.

“Ben je niet eens een klein beetje verrast?” Vroeg de duivel. “Ik bedoel, ik zie er nou niet bepaald alledaags…”

“Stop je ijdelheid maar in je reet,” zei ze. “ik heb geleerd mensen niet op hun voorkomen te beoordelen,”

“En op hun achterkomen dan?” probeerde hij guitig.

“Ook niet,” zei ze.

Met enig vertoon van kracht perste de duivel een groenbruine wolk moerasgas uit zijn achterste en keek de jonge vrouw vrolijk aan. Ze vertrok geen spier. Driftig wapperde hij met zijn grote handen een deel van de wolk naar de vrouw.

“En?” vroeg hij gulzig.

“Doet me niks,” zei ze. “Opgegroeid met een vader die aan bonensoep en uien verslaafd was.” Dat had bij hem een belletje moeten laten rinkelen maar hij had het te druk met zichzelf en was in de eeuwen dat hij anderen te slim af was zo afgestompt dat het hem ontging. Het zou hem immer bezuren, maar dat was voor later.

Ze draaide zich om en liep naar binnen. “Voeten vegen,” voegde ze hem toe terwijl hij haar verbaasd volgde naar een gezellige en comfortabel ingerichte woonkeuken die van alle gemakken was voorzien. Ze gebaarde naar een stoel. “Koffie?”

“Graag.” Hij besefte nu pas dat hij enorme trek had, en de roze koek die ze erbij serveerde was binnen seconden verslonden. De koffie was heet en geurig, een pittig robusta-aroma met een licht Colombiaans accent, precies zoals hij het graag had.

En daar, in die knusse keuken met koffie en koek, bekroop hem de twijfel: wie was zij, dat ze zo onbevreesd en –vangen zijn verschijning verwelkomde? Hoe kon het dat zij wist waar hij voor kwam? Er klopte iets niet in dit verhaal, maar hij kon er niet de vinger op leggen. Dat maakte hem enerzijds wantrouwend maar anderzijds ook nieuwsgierig; een gevaarlijke combinatie, zeker in hemel- en/of hellezaken. Zonder het te beseffen was de duivel aan het einde van een duizendjarige periode gekomen en precies hier en nu begon de transitie naar zijn vergoddelijking; de kosmische kerstening zoals alleen een goddelijk universum met intellingente humor en een diepgaand begrip van het verschil tussen lineair en circulair tijdsbesef dat kon creëren. Maar zoals gezegd: hij had er geen weet van, de drommel. Hij had slechts het vooringenomen idee dat hij het was die de touwtjes in handen had, de zaken regisseerde en uitmaakte welk lot al dan niet zou geschieden. En daarin zat hij fout. Onbewust weliswaar, maar zó fout!

Om niet op de zaken vooruit te lopen, schoof hij zijn stoel een ietwat naar achteren en bekeek met enig welgevallen de jonge vrouw die tegenover hem zat en hem zonder knipperen openlijk aankeek. Wederom bekroop hem het gevoel dat er iets danig mis was maar hij kreeg het niet helder, niet duidelijk. Het leek of er een deken over zijn geest was gelegd, waardoor hij niet meer helder kon denken. En ineens besefte hij de valstrik waarin hij was gelopen: logisch dat de vrouw had geweten dat hij kwam! En waarvoor hij kwam! En nogal wiedes dat ze hem in het geheel niet vreesde. Nog terwijl dit tot hem doordrong voelde hij hoe het gif, dat in zijn koffie zat, sneller en dieper op hem begon in te werken. Vlekken verschenen in zijn blikveld en een lome – niet eens onaangename – moeheid trok door zijn pezige lijf.

De aardheks – want die was het, lieve lezers, die daar tegenover de duivel in eigen persoon zat, vermomd in het lichaam en uiterlijk van een bevallige jonge vrouw – grinnikte en knikte. “Dat zal je leren,” zei ze. “Met je duvelsstreken.”

“Maar waarom?” wist hij met moeite uit te brengen.

Ze kakelde van het lachen.

“Waarom?” vroeg ze. “Waarom? Man, laat me niet lachen, met je voor de hand liggende vragen.”

De duivel prakkiseerde zich rot maar kon met geen mogelijkheid bedenken wat de reden was dat de aardheks hem had gelokt – want dat had ze! – en hem in deplorabele toestand in haar modern maar toch knus ingerichte woonkeuken gevangen hield. Weliswaar was er geen touw of boei te bekennen, maar hij kon geen kant op. Magie hield hem strakker gevangen dan welke knevel ter wereld ook maar zou kunnen. Hij transpireerde dat het een aard had en vroeg zich af hoe hij hieruit zou komen. Hij wist niets te bedenken.

Zwarte vlekken trokken door zijn blikveld terwijl zijn bloeddruk dusdanig alarmerende waarden aannam – vooral systolisch – dat hij een shock vreesde. Langzaam zakte hij in een diep en zwart coma.

En zweefde.

Tussen wolken van besef, en door lagen van begrip; het aardse lijden overziend in een flits van drievoudig bewustzijn; het heilige getal drie in één moeite door ontcijferend als de schepping zelf: de heilige drieeenheid, de derde die uit twee voortvloeit en waarvan de geboorte van een kind slechts een equivalent is; soms – zoals in deze geschiedenis zelfs een heilig equivalent maar toch een equivalent. En daar, in dat besef van de heilige drie, zag hij, hoorde hij en wist hij; verder dan met aardse zintuigen. In zijn hemels gezweef reciteerde hij zacht doch doordringend de getallen ‘een, twee, drie’ door de etherische lagen tussen het fysieke leven en de goddelijke verheving in; waar ze nog immer klinken en waar de zojuist gestorvenen ze met een schok van herkenning waarnemen alvorens de kastelen van overzicht te betreden. De vader, de zoon en de heilige geest zullen voor hen nooit meer die goedkope, misleidende uitleg kennen zoals die hen eeuwen is voorgespiegeld.

Toen hij eindelijk bijkwam voelde hij zich omgeven door warm flanel en keek hij tegen een zacht en welvend stuk huid aan. Niet zodra had hij ingeademd of hij werd een geur gewaar die hem deed snakken naar voeding. Gek eigenlijk, wanneer men bedacht dat hij daarnet een kop koffie en een roze koek had genuttigd. De geur echter, zachtzuur met een vage toets van noten deed hem schokken van verlangen en onbeheerst zette hij het op een krijsen. Warme, koesterende handen pakten hem beet, verschikten zijn lichaam waardoor het huidkleurig gegolf verschoof en duwden hem zacht in een beschermende holte. Er werd iets tussen zijn lippen geperst en uit reflex zoog hij, waarna een warme stroom volle en rijke voeding zijn mond vulde in een stroom van koestering, van verbondenheid en beschutting.

In een flits werd hij zich bewust van de situatie waarin hij verkeerde. “Verdomme,’ dacht hij, ‘een wedergeboorte. Alweer.’ Boven zich hoorde hij stemmen. Aan de trilling door het lijf waar hij was aangelegd wist hij dat een hunner stemmen van zijn moeder was. De pest met die reïncarnaties de hele tijd door was dat je weliswaar alles wist, kon verstaan en zag als je net was geboren, maar dat er tegen de tijd dat je begon te praten er een soort feilloze verbijstering, een dementie optrad die je alles deed vergeten. Daardoor leek het elk leven opnieuw alsof je opnieuw moest beginnen met alles. En met een beetje mazzel herinnerde je je later in zo’n leven nog eens wat.

Het Bardo – dat prachtige tussenstation voor de vers gestorvenen – stond bol van de doden die al facepalmend mompelden “Ach, natuurlijk: hoe kon ik het vergeten? En dat een leven lang?” En daarna schuchter elkaar aankijken; beetje met zo’n voetje heen en weer schuifelen… een schaapachtige blik. Maar goed, ook in het Bardo moest men Voort! Alsmaar Voort! De ziel immers, kent geen tijd maar ook geen wachten en in het rad van wedergeboorte is ook niemand gebaat bij al dat getreuzel: rijping moet er komen en wel fluks!

Dit zo overpeinzend drong tot hem door wat er werd gezegd door de stemmen om hem heen.

“… toch ergens moeten grootbrengen,” verstond hij. “Of wou je in deze stal wonen, met die os, ezel en kribbe?”

“Ik heb je meegenomen omdat ik je niet voor lul wilde laten staan,” zei een mannenstem. “En omdat dat wezen, die engel, in mijn droom zei dat ik je moest meenemen. Maar weet één ding, Maria: dat verhaal van die heilige geest en de onbevangen bevlekkenis geloof ik niet. Ik ben dan een eenvoudig ambachtsman, maar ik ben niet gek hè.”

“Dat weet ik toch, Jozef,” trilde de stem zalvend via borstvlees en membraan zijn gehoor in. “Ik weet dat je niet gelooft dat ik maagd ben en toch onze zoon heb gebaard, en ik weet dat je ook heel wantrouwend was tegenover de drie wijzen die uit het oosten kwamen met geschenken. Dat weet ik allemaal en ik kan er niets aan veranderen. Ik kan je het geloof niet geven. Maar ik zal je dienen en verzorgen, zoals het een goede vrouw betaamt. En ja: ik weet dat je negen maanden op springen hebt gestaan. Geef me even een paar dagen om de boel te laten helen, ja?”

Daarna werd het stil en hij zoog zich verder vol. Eenmaal verzadigd scheet hij eens flink de doeken onder en viel in een diepe slaap. En droomde van de ontelbare eeuwen die voorbij waren gegaan sinds de schepping van de wereld, toen God de mens naar zijn beeld en gelijkenis maakte. Hij wist ineens ook wie hij was en wat hij te doen had. Al dromend besefte hij het belang, het gewicht van zijn taak; zijn komende leven, al zou het slechts ruim drie decennia duren.

Zou er al een verhaal over kerstmis bestaan dan is het natuurlijk dat zich een wending in planeten voordoet en dat het solstitium als zodanig kan worden aangemerkt, maar om het volk te vermaken en onder de duim te houden zijn er wat extra mooie verhalen naar buiten gekomen en gecultiveerd.

De taak van de aardheks was dan ook deze dood- en geboortecyclus in gang te houden, waarna niet alleen een wedergeboorte maar tevens de vervulling van de oude hermetische wetten plaatsvond: het neerdalen in dualiteit en het uitwisselen der polen duivel en god, het kennen van de synchroniciteitbegrippen en de oerprincipes die weergeven hoe de macrokosmos zich tot de microkosmos verhoudt en hoe dit een spel van communicerende vaten en contrast in elk mensenleven met zich meebrengt. Een spel, dat te leren is, en dat men kan spelen.

Wellicht is het dan ook fijn om tijdens de zoveelste nakende kerstviering in uw bestaan eens niet al te bang zijn of het kerstdiner van onder meer gemzenijs, gekonfijte berkentak en panda-oogjes in het zuur wel zodanig afwijkt van het bekende dat hopelijk de familie het er nog een halfjaar over heeft, maar in plaats daarvan na te denken over hoe kerk en staat het volk zo lang hebben kunnen knechten met hun verhalen, roddels en de manipulaties waarmee deze onder de mensen zijn overgeleverd, in stand gehouden en versterkt.

Over autonomie gesproken!

De moraal van dat verhaal? Die is er niet. Ik heb een hekel aan opvoeden. De minachting die gepaard gaat met het willen veranderen van anderen is te overduidelijk.

“Jij deugt niet, en ik wel, en nu ga ik zorgen dat je iets meer deugt, door mijn inspanning; en dat maakt mij een nóg beter mens,” is de boodschap die uitgaat van hen die anderen willen vertellen wat ze moeten doen.

En die aanmatiging hebt u al uw hele leven te verduren. Niet alleen van vrienden, buren en collega’s die het allemaal beter weten, maar vooral ook van kerk en staat.

Allemaal zeggen ze: “Je bent niet goed. Wij zijn beter. Gehoorzaam en je wordt hopelijk vergeven.”

Als u onthoudt dat ‘vergeven’ tevens een ander woord is voor vergiftigen, dan bent u al een aardig eind op weg naar autonomie, en kunt u de werkelijkheid achter de kerstgedachte bevroeden.

Tot die tijd natuurlijk een fijn maal gewenst; hetzij brood of vlees. Laat uw drank dit jaar de wijn van inzicht zijn. Het inzicht dat u vertelt: Wat u ook denkt, het is niet zo. Het is anders.

Aan u de keuze om dat al dan niet te geloven.

Een vrolijk kerstfeest gewenst!

 

 

 


1 Comment

Paula

25 december, 2012 at 10:26 pm

wow. kippenvel zo hier en daar.
dankjewel voor een origineel kerstverhaal, dit is even iets heel anders dan al het andere wat ik ooit heb gehoort. Leuke insteek.

Leave a Reply