Kaassoufflé

  • 0

Kaassoufflé

Category : Geschrijf

 

Uit de serie: Cafetaria Zuid

Het echtpaar dat Cafetaria Zuid exploiteerde zag hem niet vaak: de man die altijd een kaassoufflé bestelde – hier opeten. Toch was het iemand die opviel, onder meer door zijn gemakkelijke manier van praten of, zoals de vrouw van het echtpaar zei als ze aan haar theedoek stond te frommelen: ‘het is een beetje een makkelijke prater, die man.’

En dat klopte: het was een makkelijke prater. Je merkte tijdens het gesprek dat hij zich er comfortabel bij voelde, bij het praten. Hij stuurde met kleine correcties de onderwerpen waarover het zoal ging wat er besproken werd en leidde zodoende met een natuurlijk elan het gesprek. Niet dat het echtpaar dat Cafetaria Zuid beheerde daar bezwaar tegen had: integendeel! De vrouw zowel als de man van het echtpaar vonden het juist prettig dat de man zo’n makkelijke prater was en zo vanzelfsprekend het gesprek leidde. Zij pasten zich graag aan bij het verloop zoals dat door de klant werd bepaald.

Als je de mensen voor wat betreft het voeren van gesprekken kon verdelen in volgers en leiders, zou je de man van de kaassoufflé onder de leiders kunnen scharen en het echtpaar dat Cafetaria Zuid uitbaatte onder de volgers, en dan zou je een behoorlijk correcte weergave van de feiten geven.

Hoe dan ook, de gesprekken gingen ook nog eens ergens over, in plaats van het onbezielde gemurmel over weer of vakantie. De man die een kaassoufflé bestelde bij Cafetaria Zuid was iemand met een verhaal. Beter gezegd was hij iemand met een heleboel verhalen. Elke kaassoufflé een ander verhaal, alsof hij in een klein, onzichtbaar notitieboekje opschreef: “Verhaal van de autoaankoop verteld op 12-05-2012” en voordat hij zijn bestelling – altijd een kaassoufflé – doorgaf aan het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo liefdevol beheerde, even snel in zijn notitieboekje keek om te zien wat daar nog aan onvertelde verhalen stond.

Natuurlijk weet niemand of dat ook daadwerkelijk zo ging, maar dat het altijd echt ergens over ging en geen twee keer ooit hetzelfde verhaal is verteld door de kaassoufflébesteller staat buiten kijf. Of, zoals de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid had zo treffend kon zeggen over wat de klant die altijd een kaassoufflé bij Cafetaria Zuid bestelde, “Het gáát ergens over.”

Daar kwam bij dat het echtpaar van Cafetaria Zuid het tevens als noodzakelijke en gewenste klantenbinding en derhalve als hun frituurlijke plicht beschouwden om – al dan niet geveinsde – interesse in het door hun clientèle vertelde te tonen. En waar zij vaak enigszins gematigd betrokken luisterden naar de eindeloze en stroperige sliert soms ellenlange verhalen van hun snackers, zonder ooit de frituur geheel uit het oog te verliezen – het was hun vak! – daar raakten zij daadwerkelijk geïnteresseerd wanneer de man van de kaassoufflé aan het woord kwam. Zoals eerder gezegd: het gíng ergens over!

Een van de meer gedenkwaardige avonden en waarvan het verhaal ook nog enige tijd bleef hangen bij het echtpaar dat de clientèle van Cafetaria Zuid zo consciëntieus bediende, vond alweer enige tijd geleden plaats. De man die altijd een kaassoufflé bestelde kwam binnen en bestelde een kaassoufflé. Dat dit allang geen verrassing meer mocht heten voor het echtpaar behoeft hier geen betoog. Het was het praatje, het verhaal waar het om ging. Het besprokene waarin de klant zich zo soepel ontpiep als leider en het echtpaar geheel onbewust en dus moeiteloos de hun toebedeelde rol van volgers/luisteraars speelden.

Op deze gedenkwaardige avond nu, draaide het verhaal van de klant om iets waar veel mensen wel eens mee te maken krijgen. Nadat de klant onder het ongeïnspireerde geklingel van het belletje boven de deur die hem toegang verschafte tot Cafetaria Zuid binnen was gekomen, en de kaassoufflé had besteld (hier opeten), liet de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid beheerde de betreffende snack met een roestvrijstalen mand in het precies tot de juiste temperatuur verhitte frituurvet zakken, waar de aanstaande lekkernij lustig begon te dansen en te borrelen, kleine belletjes van puur horecatief genoegen naar het oppervlak van het glanzend vet blazend. Dit alles onder het immer toeziend oog van de vrouw van het echtpaar dat eigenaar was van Cafetaria Zuid.

Niet zodra hadden de man zowel als de vrouw van het echtpaar de hun inmiddels geheel aangegroeide frituurstand weer aangenomen in afwachting van het krokanteren der hap, hij een hand op de toonbank en de blik enigszins filosofisch aandoend naar buiten gericht; zij wriemelend met een theedoek, starend naar het bruisend vet, of de klant begon zijn verhaal van die avond. Verder waren er op dat moment geen klanten in Cafetaria Zuid aanwezig.

“Ongelooflijke graaier hè, die Wouter Bos?” Begon de klant. De man van het echtpaar van Cafetaria Zuid had allang geleerd dat hij slechts het gesprek gaande moest houden en geen standpunt voor of tegen moest innemen. De vrouw van het echtpaar hield sowieso meestal wel haar mond. Die liep immers ook alweer een aardig tijdje mee.

“Wouter Bos, de politicus?” vroeg de man van het echtpaar. Hij verschoof zijn hand een weinig op de toonbank, waardoor het gesprek levendiger aandeed dan het in dit vroege stadium was.

“Ja die,” zei de klant. “Die zogenaamd meer tijd voor zijn gezin wilde.” De klant snoof. Hij was een forse man; tegen het corpulente aan, maar hij wist het nog onder controle te houden, leek het. Hij droeg een combinatie van een grijze broek en een blauw jasje. Een buttondown shirt; openstaand aan de bovenste twee knopen en een paar zwarte, goed verzorgde instappers aan zijn voeten. Opvallende zegelring aan een pink, horloge met gouden band en kast en een sleutelbos waaraan een leren hanger met een metalen mercedes-logo hing.

“Nou,” vervolgde de klant. “Waarschijnlijk was het toch wat teveel tijd die hij overhield want hij heeft nu een nevenfunctie bij dat ziekenhuis gekregen; in Utrecht, geloof ik. In de raad van bestuur.”

“Zo,” zei de man van het echtpaar. Hij keek de klant neutraal aan, wetend dat zulks exact de juiste manier was om zoveel mogelijk aan de weet te komen.

“Ja,” zei de klant. “Kleine twee ton per jaar erbij.” Hij leunde over de toonbank totdat hij zich binnen de persoonlijke zone van de man van het echtpaar bevond, die zich op zijn beurt genoodzaakt voelde zijn hand terug te schuiven naar de uitgangspositie van de hem zo vertrouwde frituurstand; hetgeen de klant in zijn ijver van een en ander kond te doen overigens volkomen ontging. Hij keek overdreven onopvallend achtereenvolgens naar links en rechts, plaatste zijn rechterhand naast zijn linkermondhoek, met de handpalm naar buiten, als om een denkbeeldig publiek te verhinderen mee te luisteren.

“En hij had er al dik vier per jaar,” lispelde hij vertrouwelijk en een ietwat sproeierig tegen de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid beheerde, welke laatste met zijn ogen knipperde bij deze onvermoede speekseltraktatie.

“Vier?”
“Ja. Vier ton.” Een volgende snelle blik links en rechts. “Met die twee erbij is dat zo’n zes ton per jaar.” Met een enigszins voldane blik richtte de klant zich op en maakte de toonbank vrij. De man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid bezat draaide zich om, greep het koudgreep handvat van de roestvrijstalen mand en wipte die laatste met een soepel gebaar omhoog, waarna hij het ding aan de haak boven de rand van de friteuse hing zodat de kaassoufflé – inmiddels goudgeel gebruind – even kon uitdruipen.

“Zes ton,” zei hij over zijn schouder tegen de klant.

“Zes ton,” antwoordde deze. “Je verzint het niet.”

De man van het echtpaar pakte het bakje dat zijn vrouw even daarvoor had klaargezet, en waarin met enig gevoel voor decor een wit papieren servet was gedrapeerd en legde met een tang de kaassoufflé op het servet in het bakje. Hij deed er een plastic vork bij, zo een met een zaagrandje aan één kant, en zette het bakje met inhoud op de toonbank voor de klant.

“Kaassoufflé voor meneer, hier opeten,” zei hij. De klant wreef zich in zijn handen.

“Lekker,” zei hij en pakte het bakje aan. Met het zaagrandje van het witte plastic vorkje maakte de klant een hoekje van de kaassoufflé los, stak het in zijn mond en begon het in land en streek bekende ritueel van het kauwen met de mond open, met veel tandvertoon; zoals men dat doet als een snack eigenlijk nog te heet is om te eten maar eenvoudigweg niet langer weerstaan kan worden. Het open-mond-kauwen is het mooist vertoond bij bitterballen en bovendien voegt daar het ontploffingsgevaar van het bijten in een omsloten heteluchtbel, net als bij kroketten of andere ragoutmatig gevulde en paneermeelgewijs omsloten snacks, een niet te verwaarlozen spanningsfactor toe. Vaak heeft de snackelaar de ogen een weinig toe, als was hij beducht voor de plof die kon komen en die al zovelen vóór hem had verwond.

Maar met een kaassoufflé zag het er ook al heel mooi uit, vonden zowel de man als de vrouw van het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo plichtsgetrouw voor haar clientèle openhield op de daarvoor bestemde en van gemeentewege aangewezen tijden.

De klant was smullenderwijs aan de helft van de kaassoufflé toegekomen. Hij zwaaide met de nu even lege vork in de ruimte.

“Week je wak hek if?” zei hij, al hittekauwend, maar al met iets meer gesloten mond.

“Nou?” vroeg de man van het echtpaar.

“Je doek er nikf tege.” Hij knikte wijs terwijl hij met de nog immer functionerende zaagrand van het vorkje probeerde omhulsel zowel als vulling in één hap te combineren. Gesmolten kaas liep tussen de tanden van de vork terug naar het bakje en trok prachtig glanzende volgele draden over zijn kin, hand, de vork en het bakje. Het echtpaar dat Cafetaria Zuid uitbaatte keek ademloos toe: het was altijd weer een prachtig gezicht.

“Nikf,” zei de klant. “Helemaa nikf.”

“Nee,” zei de man van het echtpaar. “Doe je niks tegen.”

De klant knikte en concentreerde zich op het nog lekker warme restant van zijn soufflé. Met een paar happen werkte hij dit weg, trok zorgvuldig de inmiddels gestolde draadjes kaas van kin, hand, bakje en vork, rolde de gevonden schat op tot een hartig balletje en stak dat genietend in zijn mond bij de half verkauwde rest; dit alles belangstellend gadegeslagen door het echtpaar van Cafetaria Zuid.

De klant veegde met het servetje handen en mond af, wierp vork, bakje en verfrommeld servet in de afvalbak en keek de man van het echtpaar aan.

“Zeg het maar,” zei hij.

“Twee dertig, alstublieft.”

“Dat zijn er twee, en dit is vijftig. Zo is het goed hoor.”

“Dank u wel meneer.”

“Graaiers zijn het. Allemaal. Maar goed, ik ga er eens vandoor. Fijne avond; u ook mevrouw.”

“Plezierige avond meneer,” zei de man van het echtpaar. Zijn vrouw mompelde een hartelijk goedenavond. De klant vertrok onder het zeurderig gerinkel van het belletje dat boven de deur van de cafetaria hing.

Er was nog niemand anders binnengekomen.

“Aardige man,” zei de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid exploiteerde.

“Ja,” zei zijn vrouw. “Hij geniet ook echt van zijn kaassoufflé, dat vind ik altijd mooi om te zien; als klanten van hun eten genieten. Daar doen we het toch voor, denk ik altijd maar.”

Haar man knikte. Daar deden ze het voor, inderdaad.

“En graaiers heb je altijd,” zei ze.
“Ja,” zei de man. “Misschien graai ik vanavond wel even onder de dekens: wie weet wat voor lekkers ik daar nog vind.”

Ze giechelde en bedekte snel haar mond toen er een jong stel Cafetaria Zuid binnenkwam. Ze kende ze wel. Patatje met en patatje oorlog, voor mee te nemen.

“Patatje met en patatje oorlog,” zei het meisje van het stel. “Voor mee te nemen.”

De vrouw van het echtpaar van Cafetaria Zuid nam de haar zo vertrouwde frituurstand aan, terwijl haar man anderhalve schep frites in het goudgele vet liet glijden.

Ze dacht aan graaien.

En aan Wouter Bos.

Niet aan geld.

 

 


Leave a Reply