Kroketpret

  • 1

Kroketpret

Category : Geschrijf

 

Uit de reeks Cafetaria Zuid: Kroketpret

Sinds jaar en dag was hij klant bij Cafetaria Zuid. Meestal bestelde hij een kopje koffie, en hij nam weleens een broodje of een snack. Maar hij besloot altijd – zonder ooit te verzaken – met een kroket.

Kroket was je van het, zei hij bij zichzelf. Kroket betekende pret; ook peristaltisch gezien. Toch waren de versnaperingen niet de voornaamste reden dat hij regelmatig even binnenliep bij Cafetaria Zuid en haar zo consciëntieuze uitbaters. Het echtpaar dat Cafetaria Zuid runde kende hem weliswaar van gezicht en zo nu en dan een praatje maar, zoals bijkans met alle klanten het geval was; ze hadden werkelijk geen notie van wat er in de man omging.

En dat was maar goed ook.

De lezers die vaker in Cafetaria Zuid komen weten dat de vrouw van het echtpaar een weliswaar vriendelijk en schoon (ook op zichzelf!) maar bepaald geen uitbundig type was.  Ze was meer van beschouwende aard en monsterde haar klanten onopvallend en altijd met een opgewekt humeur. Ook uiterlijk was zij niet nadrukkelijk aanwezig; niet dat ze ronduit lelijk genoemd kon worden, maar het was meer dat men zich behoorlijk wat moeite diende te getroosten zich voor te stellen dat zij in staat was haar man te behagen op de wijze zoals God die heeft aangegeven via de kerkelijk boven ons gestelden. Anders gezegd: men kon zich in gemoede afvragen wat de man in haar zag, of ooit had gezien – daar er immers een moment moet zijn geweest waarop hij al dan niet toenadering zocht of dit op zijn minst toeliet. Het waren dit soort overpeinzingen waar de meeste Zuid-bezoekers zich verre van hielden teneinde de consumptiedrang nog enigszins op peil te houden en aldus het echtpaar te voorzien van de nodige omzet. De zaak was schoon, de snacks vers en de uitbaters beleefd en vriendelijk; daar kon men het mee doen en daar deed men het dan ook mee.

Zo niet de hoofdpersoon in dit verhaal. Juist hij werd wel degelijk bevangen door overpeinzingen van bovenstaande aard. Sterker nog: hij riep ze op. De koffie en de snacks – met als bekroning de kroket – waren slechts dekmantel, afleiding. Waar de man werkelijk voor kwam was weliswaar van lustige, maar tegelijkertijd geheel andere aard.

Zijn eigen verschijning riep geen heftige emoties op en kon worden afgedaan als doorsnee aantrekkelijk. Met zijn modieuze maar toch niet te uitbundige stijl van kleden, zijn leeftijd van rond de veertig en zijn regelmatige gelaatstrekken was hij een man bij wie tijdens het passeren niet veel mensen het hoofd zouden omdraaien. Desondanks bezat hij een rudimentair gehalte van aantrekking. Wellicht speelde ook mee dat hij er altijd op en top verzorgd uitzag en lekker rook, althans voor wie van Eau du Martin (van het huis Jean Paul Gaultier) hield; een bescheiden en toch ook zeker aanwezige geur; fris van citrus en met een toets van ceder.

Dat alles maakte hem tot een aanvaardbare partij van hen die zulks zochten.

Niet zodra zat hij aan een van de met chromen rand afgezette formicatafels of het gedonder begon al. Ten eerste was daar het treffen van voorzorgsmaatregelen betreffende het binnenbroekse bereik dat gaandeweg het snacken en vanwege de gevolgen van de aanvankelijk steelse, maar allengs indringender blikken die hij wierp, meer en meer aandacht zou vragen. Wijs geworden door ervaring verzuimde hij – na de eerste paar pijnlijk krappe keren – nooit deze voorzorg te nemen en bracht tijdens het plaatsnemen in één soepele duw met de zijkant van zijn hand de schuldige aan de dreigende krapte in de voor deze situaties gewenste positie: overlangs het binnendijbeen naar buiten wijzend. Het was een beweging die hij thuis urenlang had geoefend. Hij had er zelfs een stoel van gelijke hoogte voor aangeschaft, die hij aan het voeteneind van zijn bed had neergezet en waar hij bijna dagelijks zijn souplesse en snelheid van beweging en handeling tezamen trainde.

Aldus gezeten in de comfortabele wetenschap dat zelfs de meest dramatische wederopstanding daar beneden niet tot noemenswaardig ongemak zou leiden, wellicht zelfs enkele kneedkansen zou bieden indien onbespied, ving het zijdelings staren aan.

De vrouw van het echtpaar stond tussen de werkzaamheden door altijd op dezelfde plaats; in dezelfde houding en dat was zijn geluk. Haar positie zorgde ervoor dat hij ongegeneerd naar de menukaart – die een slordige zestig centimeter rechts van de vrouw hing – kon staren terwijl hij zich tezelfdertijd vanuit de periferie zijner blik kon verlustigen aan zijn object van begeerte. Haar kuiten, waarvan het bleekblauw lillend vlees zo smekend over de pantykousjes puilde; de zachte welvingen rond haar knieschijven; het subtiel overgaan van huid naar rok, de rondingen daaronder niet zichtbaar dan toch tenminste vermoed…

Het bracht hem in een zoet verlangen, een extatische hunker naar vereniging met dit in zijn ogen goddelijke frituurwezen; deze engel van het vet – zijn snackgodin, zijn hapjesnymph, tevens smullemeid. En deze rilling zette zich voort tot in al zijn vezels, tot het hem al voor de koffie bijna vreemd te moede werd. Dan vermande hij zichzelf en wachtte in licht sidderende stilte op actie van het echtpaar.

Het was altijd de man van het echtpaar die hem, na het vriendelijk groeten tijdens het welkom, vroeg wat hij wilde nuttigen en die, nadat hij koffie had besteld, met een hartelijk “Koffie maar weer doen?” aan de slag ging. Dat gaf onze klant ruim de gelegenheid zijn object van lustig dromen voluit te bekijken, daar zij zonder uitzondering de bewegingen van haar man met haar ogen volgde, behalve wanneer haar man in de voor hem zo karakteristieke ruststand stond: een hand op de toonbank, de blik naar buiten gericht. Dan staarde zij in het borrelend vet – onderwijl frommelend aan een theedoek.

Maar zoals gezegd keek zij oplettend naar de handelingen die haar man bij elke bestelling verrichtte; doelgericht en toch zorgvuldig, zoals het een vakkundig friteur betaamt.  En hij keek – terwijl hij zijdelings de man in de gaten hield, naar haar handen die de theedoek draaide en wrong, streelde en kneedde, en verbeeldde zich het theedoek-zijn. Het bracht hem naar eenzame hoogten, pulsgewijs, en het sprak van grootse timing dat de man van het echtpaar altijd juist voordat het wonder zich aan de inmiddels ook al wat sneller ademende klant ging voltrekken met een olijk ‘meneer,’ zijn koffie serveerde. Intussen was de vrouw uit haar frituurlijke trance teruggekeerd en volgde het sierlijke, zachte maar toch van kordaatheid sprekende getik van schotel met daarop kop.  Het was die tik, in combinatie met het zachte gerinkel van het lepeltje op het schotelwerk dat de klant uit zijn extase haalde en deed terugkeren naar de grauwe werkelijkheid in Cafetaria Zuid.

“Bedankt,” zei hij dan.

Deze opbouw tot een schier onhoudbare stortingsdrang nu, herhaalde zich enkele keren, al naar de op dat moment aanwezige fitheid, aanmaak en stemming van de klant. Op goede dagen wilde deze nette klant wel eens een snack of drie nuttigen en daarbij de – metaforisch uitgedrukte – bijna doodervaringen doorstaan alvorens hij de opmaat gaf tot het eindspel: de kroket.

Hoe hij ooit gekomen was tot een vergelijking werd nooit helemaal duidelijk, ook hemzelf niet, maar de kroket (kalfsvlees; altijd kalfsvlees – nooit goulash, garnaal of kerrie) en de vrouw van het echtpaar waren in zijn beleven onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hapte hij in de kroket, dan beet hij in haar oorlelletje; brak hij met zijn tanden de kruimige korst dan petste hij haar pantykousje speels op het kuitvlees terug na een droogkomische hap in het nylon. Proefde hij de hete en tevens pittige ragout op zijn tong dan… enfin: de lezer begrijpt het al.

Daarom, en alleen daarom bestelde hij de kroket altijd pas op het laatst, met een ietwat trillend uitgesproken ‘Voor mee te nemen.’

Op een van die avonden, toen de klant Cafetaria Zuid verliet – het papieren zakje met daarin de dampende kroket in zijn hand, en na het mistroostig getingel van het belletje boven de deur, keek de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid exploiteerde hem door het raam na.
“Aardige man,” zei hij; meer tegen de ijsmachine dan tegen zijn vrouw. “Wel een stille.”

“Volgens mij heeft hij last van homo,” zei zijn vrouw.

Hij keek haar fronsend aan. “Hoe kom je daar dan bij?”
“Nou, ik weet niet. Hij is altijd netjes gekleed en ruikt ook fris, dat kan ik van achter de toonbank altijd al ruiken. En hij kijkt nooit rechtstreeks naar mij.”

“Daar hoef je geen last van homo voor te hebben,” zei haar man.
Ze dacht even na.
“Nee, dat is eigenlijk ook wel zo,” zei ze.

 

 


1 Comment

Agnes

23 augustus, 2014 at 5:57 am

Geweldig 🙂 vooral het beschrijven van de plotseling ontstane krapte op een bepaalde plek…….en “hij heeft last van homo”

Leave a Reply