Over flauwra’s en biggelslingers

  • 0

Over flauwra’s en biggelslingers

Category : Columns

Een metafoor over ego, onzekerheid en aanmatiging

 

In het grote bos woonde Kabouter Pruttelbroek. Die deed zijn naam regelmatig eer aan, maar daar gaat dit verhaal niet over. Hoewel er aan het einde wel een analoge verwijzing is.

Enfin en hoe dan ook: Kabouter Pruttelbroek wist alles wat er te weten viel op het gebied van spirituele ontwikkeling, want hij had er twee boeken en wel acht tijdschriften over gelezen. En hij vond zichzelf ook de aangewezen kabouter om alles en iedereen op te voeden, zodat iedereen het ging doen zoals hij het wilde. Je altijd maar meer en beter voelen dan de anderen is op den duur niet meer leuk.

“Maar we willen helemaal niet opgevoed worden, riep de eekhoorn.”

“Nee!” bevestigde de vos, wat hem een geïrriteerde blik van de eekhoorn opleverde; die hield niet zo van meelopers en napraters. Verschillende dieren en andere bosbewoners begonnen te mompelen en te fluisteren dat het een aard had.

“Maar het moet!” zei Pruttelbroek. “Want jullie zijn nog niet zo ver als ik.”

“Hoe weet je dat?” Vroeg de marter; die had altijd al een scherp verstand gehad.

Pruttelbroek verschoot van kleur. “Zien jullie soms flauwra’s?” De dieren keken verschrikt om zich heen. Niemand zag flauwra’s; men wist geeneens wat het waren. Bleek staarden ze naar de aanmatigende kabouter en zo nu en dan schielijk opzij. Je wist immers maar nooit of er plotsklaps een flauwra uit het bos kwam zeilen. En wat voor geluid maakten die dingen eigenlijk. Allengs verstomde het gemompel.

“Nou dan,” sprak Pruttelbroek. “Ik zie ze namelijk wél.”

Ja, toen waren ze uitgepraat natuurlijk. Op dat moment was kabouter Pruttelbroek de onbetwiste bosgoeroe.  Alle dieren draaiden zich al om en wilden mokkend het bos uit lopen. Kijk, als het zo moest, dan hoefde het voor hun niet meer, en zo lustten zij er ook nog wel eentje, en meer van dat soort dooddoeners die men wel bezigt in de immer onverkwikkelijke communicatie met oogklepdragers.

Maar wacht! Daar kwam Harmen-Bert, het heidehert. Hij kuierde op zijn gemak naar Pruttelbroek toe en bleef vlak voor de kleine broekenman staan, waardoor deze omhoog moest kijken, wat hij heel niet prettig vond: goeroes als Pruttelbroek kijken niet graag tegen een ander op, een van de redenen waarom ze de term goeroe hanteren. Ze willen zélf bewonderd worden, en zijn voortdurend op zoek naar bevestiging. “Weet je nog dat ik laatst zei dat er iemand dood zou gaan? Nou, en kijk eens!” Dat de overledene een rampslachtoffer in Zuid-China was, vermocht geen domper: dood is dood en het was op het nieuws. Dus.

“Zo,” zei Harmen-Bert, het heidehert nadat hij de omhooggevallen kabouter een tijdje had aangestaard. “Dus jij ziet flauwra’s, hm?” Pruttelbroek knikte.

“Jazeker,” zei hij, en keek om zich heen. Niemand viel hem bij. Dit konden ze met een gerust hart aan Harmen-Bert, het heidehert overlaten.

“Maar dat is geweldig,” zei Harmen-Bert, het heidehert. “Ik zie ze namelijk ook. Dan kunnen we samen een keertje flauwra’s gaan bekijken. Vind je dat leuk?”

Pruttelbroek knikte maar eens. Hij kon zich natuurlijk moeilijk terugtrekken zonder gezichtsverlies.

“Afgesproken,” zei Harmen-Bert, het heidehert. Laten we over tien minuten vertrekken. Zorg jij voor een biggelslinger?”

Pruttelbroek staarde hem glazig aan. “Een biggelslinger?”

“Ja. Een biggelslinger. Die van mij ligt thuis, op de heide,” zei Harmen-Bert, het heidehert. “Jij woont hier vlakbij. En je weet dat de echte, serieuze parabanaankijker een biggelslinger heeft hè; of ben je een soms een charlatan? Nou, heb je zo’n ding thuis, of wat?”

“Eh… ja, natuurlijk.”

“Goed, ik wacht hier wel; haal jij de biggelslinger.”

Met bezwaard gemoed toog Pruttelbroek op weg naar zijn stinkzwam, in welke zijn huisje lag te rotten. Hoe moest hij zich hier in groenemansnaam uit lullen? Hij had helemaal geen biggelslinger: hij wist niet eens wat het was. Tezelfdertijd moest hij wel zorgen dat vanonder zijn imago van bosweter niet zijn werkelijke aard van kleinheid aan het licht kwam. Een schier onmogelijke opgave.

Inmiddels had Harmen-Bert, het heidehert, aan de andere dieren verteld dat hij de biggelslinger had verzonnen en dat er heel niet zoiets bestond. De dieren lagen dubbel op het mos van het lachen.

“Die Pruttelbroek,” zei de uil. “Wat zal hij boos zijn, met zijn gevoelige ego.”

En dat was Pruttelbroek inderdaad. Toen hij uren later in het bos verscheen, met een smoesje over een zieke buurman, kon het hem natuurlijk niet ontgaan dat men hem heimelijk uitlachte. Niet voluit hoor, dat niet: hier een besmuikt lachje, daar een nauw verholen grijns en zelfs wat gegiechel achter zich. Altijd achter zich.

Niemand nam Pruttelbroek meer serieus en na een week had hij het wel gezien daar in dat bos. De dieren waren niet zover en zouden ook nooit zover komen. Ze waren gewoon niet uitverkoren, zoals hij. Hij had gelezen dat er ver weg in het noorden een dorpje was waar betweters en fantasten alles wisten van flauwra’s en dat soort dingen. Dus toog hij de volgende ochtend voor het opkomen van de zon op weg, maar niet voordat hij die nacht alle tuintjes van de woningen der dieren aandeed, en in elke tuin een dikke, pruttelende wraakhoop poepte. Hij had de avond ervoor speciaal met dit doel voor ogen vijftien extra kommen gortepap gegeten en was blij het nu eindelijk weer kwijt te kunnen. Pruttelbroek scheet bijkans het hele bos onder.

Helaas voor hem waren de bosbewoners totaal niet onder de indruk van zijn druk: ze merkten het niet eens. Wel werd hier en daar gewag gemaakt van een wat penetrante geur, maar niemand besteedde er veel aandacht aan.

En na een paar weken gebeurde het: terwijl Pruttelbroek allang tussen de andere verhevenen zat op te bieden over zijn gaven, bloeiden er in het dierenbos de prachtigste rozen in alle tuinen. Schitterende rozen met alle kleuren van de regenboog. De dieren waren zielsgelukkig!

“Wat prachtig toch,” zeiden ze. “En dat om deze tijd van het jaar…”

Niemand dacht verder nog aan Pruttelbroek.


Leave a Reply