Smikkeltaria

  • 1

Smikkeltaria

Category : Geschrijf

Uit de reeks Cafetaria Zuid

 

Het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo liefdevol en plichtsgetrouw runde keek na jaren van geoliede ervaring niet zo snel meer ergens van op. Zo ook niet toen op een regenachtige donderdagmiddag een man binnenkwam, gekleed in een te krap colbert en een terlenka broek met hoogwaterpijpen en glimmend gesleten zitvlak. Er kwamen wel vaker mannen met hoog water binnen, of met een krappe colbert, en zeker ook wel eens op een regenachtige donderdagmiddag. Maar een man met hoog water én een te krappe colbert: die zagen ze niet vaak. Zeker niet op dondermiddag en al helemaal niet als het ook nog eens net op dat moment regende.

Daar kwam bij dat de vrouw van het echtpaar van Cafetaria Zuid vermoedde dat de man bij het opstaan na een wat langduriger zit met zijn terlenka op een glad gelakte, houten zitting een bepaalde mate van broekwalm zou prijsgeven, zoals men dat wel zag bij vertegenwoordigers en een zeker slag kantoorbedienden. Men kon er gevoeglijk van uitgaan dat sommige mensen eerder de door de wat meer hygiënisch ingestelden zo gevreesde en node vermeden broekwalm – in de wat meer naar het noorden gelegen streken ook wel kruisdamp genoemd – ten beste gaven dan anderen. Een en ander hing – naast persoonlijke hygiëne – tevens af van aanleg, erfelijke belasting en nog wat zaken. Zo hadden meer mannen er last van dan vrouwen, en zeker de mannen die bij het minste geringste teken van broeierig weer kampten met de eveneens hinderlijke plakzak. Indien juist zij daarnaast een zekere vorm van broekwalm hadden, was dat meestal van dien aard dat omstanders er daadwerkelijk last van hadden.

Toch keken ze niet echt op van de binnenkomst der terlenka-klant; de man en de vrouw van het echtpaar van Cafetaria Zuid. Ze zagen wel eens vaker wat en als je overal een punt van maakte, hield je geen tijd meer over om fijne en exquise snacks voor je cliënten te bereiden en serveren.  Derhalve bleven de man zowel als de vrouw van het echtpaar dat Cafetaria Zuid uitbaatte rustig in de hen zo vertrouwde frituurstand staan; hij de blik peinzend naar buiten gericht, een hand op de toonbank; zij starend naar de frituur, frommelend met een theedoek.

“Een enorm goede middag gewenst, luitjes,” riep de terlenka-man, zodra hij de toegangsdeur van Cafetaria Zuid onder het ongemotiveerde en enigszins slap gerinkel van de bel, die boven diezelfde toegangsdeur was bevestigd en die al jaren de komst van de volgende snacker aankondigde, was gepasseerd. Deze wat olijke begroeting werd met een nasale, doordringende en te luide stem gegeven, en de vrouw zowel als de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo ingetogen wist vorm te geven wisselden een snelle blik – leerde hen de verkopers kennen; ze zagen ze van een kilometer afstand al aankomen. Het bleef echter bij die blik: de hoogwaterbezoeker – te zeer met zichzelf ingenomen om de steelse uitwisseling tussen het echtpaar van Cafetaria Zuid op te merken – hees zich op een van de barkrukken voor de toonbank en leunde vertrouwelijk naar voren; zijn ellebogen zette hij pontificaal op het glanzend en zojuist door de vrouw van het echtpaar schoongewreven formica.

“Mooie zaak hebt u,”

“Dank u,” zei de man van het echtpaar van Cafetaria Zuid. “Wat mag het wezen?”

“Een kop koffie. Kan dat?”

“Uiteraard. Een kop koffie voor meneer.” De man van het echtpaar richtte zich op, keek even naar zijn vrouw die al in de weer was met een een kop en schotel, lepeltje en koekje.

“Had meneer het op prijs gesteld om warme, schuimig geklopte melk bij de koffie te krijgen?”

“Nee, dank u. Ik heb mijn koffie graag zwart en heet, net als… u weet wel.” De man lachte en maakte een handgebaar.

“Nee,” zei de man van het echtpaar. Hij lachte niet mee. “Ik weet het niet. Desalniettemin wordt het zwarte koffie. Vers, want pas gezet.” Na deze voor hem nog vrij uitgebreide respons nam hij zo terloops de frituurstand terug aan, dat het zelfs hemzelf ontging.

De koffie werd geserveerd zoals Terlenka hem had besteld: zwart en heet, en zoals de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid beheerde had beloofd: vers, want pas gezet. De klant sipte voorzichtig aan het kopje hete koffie met het kenmerkende gesis van iemand die gewend is hete koffie te drinken en zich derhalve niet laat verrassen. Zo iemand begint lucht te zuigen alvorens de daarachter vloeiende scheut hete koffie de lippen te laten passeren, hetgeen een ritmisch en voor omstanders bijzonder irritant en doordringend geluid veroorzaakt waar maar geen einde aan lijkt te komen. De koppen koffie, gedronken door deze mensen lijken het drievoudige aan inhoud te bevatten: het gaat maar door, dat alles overstemmende geslurp. Luchtgekoeld drinken, zou men het kunnen noemen en wellicht is het ook wel eens zo genoemd in het verleden door de een of wellicht zelfs door de ander. Maar om daar nou spoorslags auteursrechten op los te laten zou een weinig overdreven zijn. Als men zo zou beginnen, kon er geen woord meer opgeschreven worden omdat ooit iemand het al eens eerder had gebruikt.

Tijdens het genieten van zijn koffie tuurde de man over de rand van het kopje beurtelings naar de man en de vrouw van het echtpaar dat Cafetaria Zuid nu al weer heel wat jaren en zeker niet onverdienstelijk exploiteerde. Hij schatte zijn kansen in, zo wist ook het echtpaar: leerde hen hun pappenheimers kennen immers!

“Mooie zaak, zoals ik zei,” begon hij dan toch eindelijk. Het echtpaar ontspande een weinig en zeker niet zichtbaar, zonder uit de hen inmiddels en na jaren zo vertrouwde frituurstand te komen: hij een hand op de toonbank, de blik licht peinzend en enigszins filosofisch aandoend naar buiten gericht; zij turend naar de ring van roestvrij staal die de rand van de frituur vormde, onderwijl aan een theedoek frummelend.

De klant pulkte het koekje, een minispritsje, dat hij bij de koffie had gekregen uit zijn plasticje en liet het vlot in zijn mond flitsen. Hij kauwde het baksel snel tot kruimels terwijl hij gedurende dit kleine projectje de man van het echtpaar bleef aankijken.

“Ja,” zei de man van het echtpaar van Cafetaria Zuid. “Dat zei u inderdaad al.”

De klant keek hem enigszins verbaasd aan: dit was kennelijk niet de reactie waarop hij gerekend had.

“Ooit over verandering gedacht?” ging hij dan toch maar dapper verder. Na een snelle slok koffie was de fijngekauwde kruimelhap van wat ooit een prachtig vormgegeven minispritsje was, verworden tot een beige brij waarvan plakkerige draden in een mondhoek en tussen een paar tanden licht meedeinden met de door spraak bewogen mond van de klant.

“Ja,” zei de man van het echtpaar. “Twee jaar geleden nog.”

“En?”

“Prima.”

“Aha. En wat hebt u toen veranderd?”

“Niets.”

“Niets?”

“Niets.”

“Maar u zegt net dat u twee jaar geleden over verandering hebt nagedacht.”

“Dat klopt.”

“Maar dus niets veranderd, alleen erover nagedacht…”

“Nee.”

“Nee?”

“Nee.”

“Niet erover nagedacht?” Men kon zien dat de klant zijn geduld begon te verliezen en inmiddels waarschijnlijk dacht dat hij met een verbaal en verstandelijk uitgedaagde te maken had. Wellicht een werkvoorzieningproject vanuit een behandelprogramma, zag men hem als het ware denken.

“Jawel, er goed over nagedacht,” zei de man van het echtpaar.

“Maar niets veranderd?”

“Nee.”

“Alleen erover nagedacht dus.” Zei de klant nu enigszins geagiteerd.

“Nee.”

“Wat nou nee? U hebt erover nagedacht maar niets veranderd. Wat is er nog meer?”

“Ik heb er ook over gepraat, met mijn vrouw,” de man van het echtpaar wees ten overvloede met zijn kin naar zijn echtgenote, die de blik strak op de frituur gericht hield.

De klant zuchtte. “Goed, nagedacht en besproken dus, maar niets veranderd.”

De man van het echtpaar van Cafetaria Zuid knikte.

“Nou,” zei de klant. “Dat komt dan goed uit.”

“O ja?”

“Ja. Het toeval wil namelijk dat ik vertegenwoordiger ben van de Holst-Brouwerijen en dat er momenteel een golf van vernieuwing door de horeca spoelt. Zij van Holst spelen daar op in, ter meerdere glorie en winst van de horeca-uitbaters, en een zeer bescheiden percentage voor de zo gul uit de beurs schenkende brouwerij.”

Na deze uiteenzetting leunde hij voldaan achterover en keek de man als de vrouw van het echtpaar beurtelings aan met een blik van ‘die zag je niet aankomen hè?’

“Nog koffie, meneer?” zei de man van het echtpaar van Cafetaria Zuid. “Tweede kopje is van het huis.”

“Eh, ja, alstublieft,” de klant schoof onrustig heen en weer over de barkruk en de vrouw van het echtpaar voorzag een extra veeg met een vochtig doekje straks: broekwalm tot daar aan toe, maar het moest niet ook nog eens gaan kleven; het was niet omdat meneer het wat minder nauw met de hygiëne nam dat andere klanten daarvan last moesten ondervinden, vond zij.

“Zwart,” knikte de man van het echtpaar naar zijn vrouw, en gaf haar het kopje met de schotel aan. Ze deed er een nieuw koekje bij, een schoon lepeltje en schonk de kop met gulle hand nog eens heerlijk vol met nieuwe, hete koffie. Ze overhandigde met een vloeiende beweging het lekkers aan haar man, die het met dezelfde souplesse aanpakte en neerzette voor de klant.

“Koffie voor meneer,” zei de man van het echtpaar. “Tweede kopje van het huis.”

“Dank u wel,” de klant klonk inmiddels wat nijdig. Dit liep kennelijk niet zoals hij had verwacht en gehoopt.

“Maar goed, zoals ik dus zei…”

“Ja, dat zei u al,” zei de man van Cafetaria Zuid. “En wat is uw concrete voorstel?”

“Nou, we zouden kunnen nadenken over modernisering, met een mooie investering van de brouwerij, die u met een heel coulante regeling terugbetaalt over tijd en …”

“Wat had u gemoderniseerd willen hebben?” onderbrak de man van het echtpaar hem.
“Eh… nou, onder meer de naam. ‘Cafetaria Zuid’ klinkt niet echt meer van deze tijd, als u me mijn directheid niet kwalijk neemt.”
“In het geheel niet,” zei de man van de Cafetaria. “Daar hebben we toentertijd, toen we erover nadachten en er met elkaar over spraken ook over nagedacht en gesproken.”
“Aha,” zei de vertegenwoordiger met de broekwalm – de vrouw wist het nu gewoon zeker.

“Ja,” zei de man van het echtpaar dat Cafetaria Zuid zo consciëntieus runde. “We hebben toen een paar leuke ideeën bedacht, kan ik u zeggen.”

“Kijk, dat is mooi,” zei de vertegenwoordiger. “Wat tegenwoordig in trek is, bijvoorbeeld…”

“Restaria,” zei de man van het echtpaar. De vertegenwoordig keek hem licht gepisseerd aan: dat wilde hij inderdaad voorstellen.

“Hebben we toen eens bedacht,” zei de man van Zuid. “Maar vonden we toch niks.” Hij keek naar zijn vrouw, die knikte.

“Kwalitaria hadden we ook nog,” zei hij. De vertegenwoordiger vermoedde inmiddels waarschijnlijk een complot.

“Maar dat klinkt zo pretentieus. Is de koffie goed?” vroeg hij aan de vertegenwoordiger, die zijn koffie niet meer had aangeroerd sinds zijn verkooppraatje in het honderd begon te lopen. Hij rukte het kopje aan het oor naar zich toe, morste een scheutje op het formica van de bar en brandde zijn lippen door toch iets te schielijk de hete koffie naar binnen te werken. Hij was kennelijk van de weeromstuit de kunst van het luchtgekoeld drinken even vergeten. Met een luide tik zette hij het kopje op de schotel terug en bleef met zijn enigszins worstige vinger in het oor hangen waardoor er nog een klots over de rand van het kopje ging toen hij zijn hand wilde terugtrekken. Gelukkig morste hij deze keer op het schoteltje. Zijn humeur werd er blijkelijk niet beter op. Met een blik op onweer haalde hij adem om aan zijn volgende zin te beginnen, toen de man van het echtpaar van Cafetaria Zuid wederom het woord nam.

“Smikkeltaria kwam zelfs voorbij,” zei de man van het echtpaar. Zijn vrouw keek hem verbaasd aan. Ze kon zich daarvan niets herinneren. Ze herstelde zich echter snel: ze vond het altijd weer mooi om te zien hoe haar man elke verkoper onder de tafel wist te praten.

De vertegenwoordiger slurpte de rest van zijn koffie naar binnen, ontplasticte het koekje – een ministroopwafeltje dit keer – en propte het in zijn mond. Verwoed kauwend verzamelde hij zijn laatste beetje enthousiasme om hopelijk toch nog een uitbater voor de brouwerij te winnen, waarbij de brouwerij altijd de winnaar zou zijn: was het niet door het – aanzienlijker dan de vertegenwoordiger deed voorkomen – gedeelte van de winst dat aan de brouwerij maandelijks moest worden afgedragen, dan wel door de talrijke faillissementen van horecagelegenheden van deze en ook andere aard, die onder de extra druk van de financiële wurgconstructie bezweken. Als eerste schuldeiser – sluw in het contract vastgelegd – verviel de horeca-uitbating met interieur, goodwill en klandizie zonder slag of stoot aan de brouwerij, die het dan voor een mooi prijsje kon verkopen en opnieuw won.

Voordat hij echter aan zijn slotakkoord kon beginnen – hij zag eruit of hij een hoofdpijn voelde opkomen en waarschijnlijk wilde hij gewoon weg – praatte de uitbater van Cafetaria Zuid verder.

“Ik bedoel, voor je het weet zit je met allerlei gekunstelde woordspelingen als kroketpret, hee hee, een kaassoufflé, het frikandelspel en dat soort ongein.”

De vrouw van het echtpaar draaide zich een weinig om, zodat de vertegenwoordiger haar ingehouden lach niet kon zien. De man van het echtpaar keek de vertegenwoordiger met pretoogjes aan.

“Zeg nou zelf,” zei hij tegen de ongelukkige. “Wie zit er te wachten op kreten als: ‘hier is een kop koffie altijd een boffie!’ Of  ‘Met de snacks van deze smikkeltaria, hebt u altijd genoeg varia’ en meer van dat soort onzin.”

De vrouw van het echtpaar stond inmiddels met samengeknepen dijen en nu geheel afgewend gelaat te schokschouderen. Die had andere zorgen dan de op handen zijnde broekwalm van de nu immens transpirerende vertegenwoordiger.

“Zo’n heerlijke berenklauw? Dat wil iedereen heel gauw!” dreunde de man van het echtpaar onverdroten voort. De vertegenwoordiger had genoeg gezien. Hij staarde woedend naar de vrouw van het echtpaar dat Zuid runde, en die voorover gebogen tegen het frituurblok stond te hikken, wendde zijn blik naar de man van het echtpaar en vroeg knorrig: “Goed, wellicht een andere keer dan. Wat krijgt u van me?”

“Een euro zestig, meneer. Tweede bakje van het huis hè.”

De vertegenwoordiger diepte een paar munten op uit de zak van zijn jasje, kletste een twee euromunt op de toonbank, gleed van de kruk en verliet zonder groeten de zaak.

De man van het echtpaar staarde hem nog even na, tot hij uit het zicht was verdwenen.

“Nou,” zei hij tegen zijn vrouw. “Die verkopers van tegenwoordig hebben hun praatje ook niet meer echt klaar.”

Ze draaide zich om en keek hem hulpeloos aan.

“Wat is er?” vroeg hij. “Ben ik er eentje vergeten? Hier is een broodje bal een heerlijk geval? De loempia van Zuid, gaat er heerlijk in en komt er soepeltjes weer uit?”

“Ik heb het in mijn broek gedaan,” zei de vrouw van het echtpaar snikkend van het lachen.

“Nou, ga je maar gauw verschonen dan,” zei de man; hij keek er niet eens van op. “Straks komen er klanten.”

Ze hupte naar achteren met het kenmerkende pasje van iemand die nog wel een liter of anderhalf kon, en dit niet al te lang meer wist binnen te houden. Als dat maar goed ging.

Hoofdschuddend keek de man van het echtpaar zijn vrouw na.

“Smikkeltaria,” bromde hij. “Het mocht wat. Broodje halfom, wat ik je brom.”

Grinnikend haalde hij kop en schotel van de toonbank.

Straks kwamen er klanten.

 

Alle afleveringen uit de serie Cafetaria Zuid 


1 Comment

Agnes

23 augustus, 2014 at 6:23 am

Toch leuk om weer te lezen, en tijdens het lezen schiet me dan iets te binnen over een artikel in de Z-krant ( daklozenkrant uit de regio Amsterdam ) Ze volgde daar een tijd de mensen en de uitbaters van een cafetaria in Amsterdam Noord, en dat was dan geen fictie…….maar het had het zo kunnen zijn.

Leave a Reply