De lege ruimte om ons heen

book32 Heel wat jaren geleden (opa vertelt…) las ik het boek van Betty Edwards: Drawing on the right side of the brain. Ik deed de oefeningen en wat Betty voorspelde in haar boek gebeurde ook precies: ik tekende de plaatjes die ik mijn hoofd had. Die plaatjes vertegenwoordigden het idee dat ik had over de vormen. Een boom die ik tekende zag er enigszins herkenbaar als boom uit, en veroorzaakte tevens een hartelijke bulderlach: het leek voor geen meter.

 

 Idee versus waarneming

Verderop in het boek werd uitgelegd dat ons kijken wordt vertroebeld en vervormd door de ideeën die we hebben over van alles en nog wat; bijvoorbeeld een boom. Mensen die gelijkend kunnen tekenen, kijken op een andere manier: ze zien puur wat er is, niet wat ze vinden dat er zou moeten zijn. Dat holistische zien zonder etiketten en verhalen uit het verleden (o ja, zo’n boom heb ik wel eens gezien) en de toekomst (dit zou toch nu wel eens moeten lijken op een echte boom, zo onderhand), is een kunst die sommigen van zichzelf al hebben, maar die ook aangeleerd kan worden…

De negatieve ruimte

Een van de oefeningen uit dat boek die mijn manier van kijken hebben verbreed is gebaseerd op het waarnemen van de negatieve ruimte: dat is de ruimte om het object (dat je wilt tekenen) heen. Als je daar naar kijkt, en die ruimte tekent, blijft de binnenliggende vorm vanzelf over. Door je te concentren op de omgevende ruimte, zit je dus niet telkens met je verstand, dat voortdurend brult “plant! Blad! Bloempot! Is rond! Dat moet langwerpig! Lijkt op de plant die je eerder zag! Weet je nog? Toen je net ook die moeilijkheden op je werk had en… o ja: plant! Bloem!” maar in plaats daarvan met lege ruimte, waar je verstand niets mee kan; het verveelt zich bij het gebrek aan vergelijking en etiketten, zodat het werkelijke, zuivere zien naar voren kan komen.

En dan lijkt een tekening ineens veel meer op het onderwerp. Een bijkans magische ervaring.

De lege ruimte om ons heen

Deze tekenwijsheid is tevens goed toe te passen op ons bestaan, onze manieren van ervaren en onze verbinding met het zelfzuchtige ego dat voortdurend bevestigd, gerustgesteld, beloond en bestraft wil worden. Op het moment dat we de ‘lege ruimte’ om onszelf en onze ervaringen kunnen waarnemen, ontstaat er een andere vorm van waarnemen: puur bewustzijn.

Net als bij het tekenen is er de mogelijkheid om de ideeën die je hebt met rust te laten en werkelijk te gaan waarnemen: als toeschouwer van je eigen ervaringen.  Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Er zit namelijk een heel geniepig paradoxje in deze mogelijkheid. Namelijk: wanneer je kijkt naar je ervaringen en de daarbij optredende gevoelens/emoties, wordt de ervaring door je verstand getoetst aan eerdere, daarop gelijkende ervaringen. En dan zit je alweer met je kont diep in het verhaal.

De slang bijt zichzelf in zijn staart, zoals dat zo mooi heet. Toch is het wel te doen, via een kleine omweg. Die omweg bestaat eruit dat je voortdurend je neiging naar verhalen, ideeën, overtuigingen observeert. Meer niet.

Door het waakzaam blijven observeren wat er zoal in je opkomt, leer je je gedachtepatronen, overtuigingen, ideeën, kortom: alle verhalen die je hebt en waarnaar je leeft, te herkennen en te doorzien. En vanuit dit doorzicht ontstaat uiteindelijk een voortschrijdend inzicht in de manier waarop je verstand werkt, de manier waarop je ego (dat gedeelte van je dat ervan is overtuigd dat je deze persoon, dit lichaam, hier op aarde ook helemaal bent) je voortdurend aan de kop blijft zeuren om aandacht. Met dat eindeloze gekwebbel van je ego laat je jezelf voortdurend afleiden en zit je gevangen in je ideeën, in je denkwereld.

Vermoeiend zeg!

Zeker in het begin zul je zo enorm veel verhalen, ideeën en overtuigingen tegenkomen dat het bijna geen doen lijkt om dat allemaal te gaan doorzien. Er is echter hoop voor de wat minder gedreven types onder ons: wanneer je eenmaal een patroon herkent dat achter verschillende overtuigingen en ideeën schuilgaat, heb je een hele rits van die ideeën tegelijk te pakken. Lost het patroon op, omdat het voldoende is doorzien en ingezien, dan lossen al die overtuigingen direct mee op.

Een voorbeeld

Iemand maakt een kleinerende opmerking tegen je. Je wordt pissig en geeft een scherp antwoord. Het minzame lachje van de ander laat zien dat hij/zij geniet van jouw reactie omdat het betekent dat de opmerking je geraakt heeft. Daarop word je nog pissiger. De rest van de dag heb je last van die kwaadheid.

Ego: waarom word je precies kwaad?

  • Omdat de ander je niet voor vol aanziet
  • Omdat je vindt dat je zo’n opmerking niet hoort te plaatsen
  • Omdat je vindt dat diegene nou zelf ook niet bepaald een licht is
  • Omdat je überhaupt geen tegenspraak duldt
  • Et cetera

Doorzien: waarom word je precies kwaad?

Het bovenstaande is wat het ego je laat geloven. In werkelijkheid word je kwaad omdat:

  • Je diep van binnen ook vindt dat je minderwaardig bent
  • Je dus vindt dat de ander gelijk heeft
  • Je baalt van jezelf dat je dat gevoel van kleinheid nog niet hebt overwonnen
  • Je baalt van het feit dat die ander dat kennelijk oppikt

Inzicht: waarom word je precies kwaad?

  • Omdat je eerdere kwaadheid hebt onderdrukt
  • Omdat je duidelijk een les te leren hebt in eigenwaarde/bestaansrecht
  • Omdat je net zolang strijd oproept totdat je innerlijke strijd is gestaakt
  • Omdat je tegen een granieten muur aan staat te duwen, je dat weet en er toch niet mee kunt ophouden; hoe vaak je je dat ook voorneemt

Je ziet dat er een prachtige progressie is te zien in het waarnemen. Vanuit het ego is de opmerking niet goed en verwens je het karakter van de ander, die het kennelijk leuk vindt om jou te kleineren of te beledigen.

Vanuit het doorzien van het ego ligt de verantwoordelijkheid meer bij jezelf: je doorziet de patronen en onderliggende motivaties.

En vanuit inzicht snap je volledig dat die kwaadheid er is, dat die kwaadheid een gevoel is dat door jou gekend (en onderzocht) wil worden en dat je het kunt gebruiken om bewust te worden van wie je bent.

Met dit inzicht kun je verder in de oefeningen om je verhalen los te laten en te werken naar zuivere waarneming. Wanneer je dit inzicht accepteert en de gevoelens kunt verwelkomen als leermeesters op je weg naar verlichting, ontstaat er ruimte en zul je meer en meer de lege ruimte waarnemen en de verhalen, vormen, ideeën laten voor wat ze zijn. Elk moment is daarmee nieuw en verwonderlijk: als een kind dat iets voor het eerst ziet of meemaakt.

Stap voor stap

  •  Bij liefst elke situatie waarbij je een emotie ervaart, neem je een moment om die emotie volledig toe te laten, de verhalen die je erbij krijgt te herkennen als verhalen en te blijven concentreren op de pure emotie/het gevoel.
  • Je zult – zeker in het begin – merken dat het ego onvermoeibaar allerlei verhalen blijft aandragen, over hoe je dit al eens eerder hebt ervaren, toen met die en die, tijdens die vakantie, weet je nog? Et cetera. Je ego trekt je dan naar het verleden. Of naar de toekomst door je te laten denken: “Ik wou dat ik van dat complex af was” of “wacht maar, ik pak hem/haar nog wel terug.” En al die tijd zit je door je verhalen in het verleden en de toekomst te graven, daarmee steeds meer verhalen oproepend, en blijft het heden, het nu, ongezien.
  • Je blijft je afvragen: wat is nu, op dit ene moment, het probleem? Ook wat daaruit voortkomt aan emoties verwelkom je, als nog meer leermeesters die je helpen te doorzien en in te zien, en die je daarmee helpen naar bewustzijn.
  • Zodra je jezelf weer in de verhalen ziet gaan (‘waarom doet die ander dit?’, ‘is het een projectie?’, ‘Kan ik het met positief denken oplossen?’, ‘Waar is de volgende cursus waar ik kan leren hoe ik mijn geluk, rijkdom en gezondheid slechts hoef te bestellen bij de kosmos en het dan snel krijg?”) schud je jezelf liefdevol wakker en vraagt je telkens opnieuw af: “Wat doe ik, wat leer ik, hoe helpt me dit in te zien dat het me de weg naar verlichting op duwt?”

Als je dit volhoudt, ontstaat uiteindelijk het inzicht dat iedereen er is om jou te helpen het pad naar de verlichting te gaan. En vanuit dat inzicht besef je ook dat het juist de hufters en bitches zijn in je leven, die je grootste helpers zijn. Zij zijn het namelijk die jou dagelijks de kans bieden om de emoties te ervaren die nog niet geïntegreerd zijn.

Je hoeft ze daarvoor niet te bedanken of ander spiritueel gezweef toe te dichten: ze doen wat ze moeten doen en leren ook hun eigen plan, waar jij weer aan meewerkt.

Prikkende engeltjes

Je emoties zijn engeltjes die je prikken, plagen, maar vooral kleine meestertjes die je in beweging houden om je weg te vinden naar puur bewustzijn. Tevreden mensen zoeken niet naar verlichting: die zijn tevreden zo (of misschien al verlicht).

Lijden is de kortste weg naar verlichting, zei Eckhart Tolle eens.

Het resultaat mag er wezen! Geluk, vrede, kalmte… niets is fout, niets hoeft veranderd, alles is oké en kan met plezierige verwondering worden waargenomen. Je bent klaar.

Een leuke oefening om in de praktijk te ervaren wat de lege ruimte bij het tekenen doet voor onze grote denkhoofden (© Pipo de Clown) kun je hier vinden: http://drawright.com/vaceface.htm#vaseface

Pijn is verborgen liefde

Waarom kunnen aardige mensen soms zo hatelijk lijken?

Het is niet de daad of opmerking die jij hatelijk vindt en die pijn doet, maar jouw reactie daarop. Er is een plek in je geraakt; een pijnlijke plek. Soms is die plek nog bont en blauw van jaren geleden, tot in je jeugd. Die plek heeft daar al die tijd zitten wachten tot jij de pijn gaat aanvaarden en deze in je hart wilt sluiten. En als dat niet gebeurt, komt God je te hulp door precies de juiste mensen om je heen te brengen die deze plek blijven aanraken; telkens opnieuw. Hierdoor kun je er op het laatst niet meer omheen en zul je uiteindelijk de pijn niet meer kunnen ontlopen. Dat is het moment waarop een opmerking, een gebaar of daad het meeste pijn doet. Het maakt niet uit of de ander het als ‘geintje’ bedoelt of dit vanuit een eigen pijn zegt of doet: het gaat om jouw pijn en wat jij er al dan niet mee doet.

En als dan het magische moment is aangebroken waarop jij niet meer weg van de pijn kunt, en de pijn niet meer weggaat van jou; zelfs niet meer te onderdrukken is… dan is daar je kans. Een kans die je overigens oneindig vaak krijgt – een kans die nooit is verkeken want hij komt altijd terug.
De kans die je krijgt is het aanvaarden van je pijn. Voelen, toegeven en accepteren dat je pijn hebt en die pijn er – al is het maar voor een moment – er laten zijn. Dit heeft niets te maken met acceptatie van wat de ander zegt of doet, of met vergeving van die ander, maar alleen met het aanvaarden van je eigen pijn.

En dan, in het diepste van je leed, is daar het wonder. Al die jaren bleek de pijn namelijk een kern te bedekken die je verloren was; althans voor je gevoel. In werkelijkheid is de kern nooit verloren of weg maar pijn is een van de sluiers die deze kern kan bedekken en dat ook vaak doet.
De kern is liefde.
Onder elke pijn zit liefde. Heb je die eenmaal gevonden dan kan nooit iemand je meer raken met welke opmerking dan ook.

En zo kan het gebeuren dat soms de mensen van wie je het het minst verwacht een opmerking maken of iets doen waardoor jij tot in het diepst van je pijn geraakt wordt. Ze bewijzen je hiermee een dienst. Je hoeft ze niet te bedanken, zoals sommige stromingen voorschrijven: het besef van die onderliggende dienst is voldoende. Bovendien doet bijna niemand dat bewust, maar is ook alleen maar zijn of haar pad aan het volgen: exact zoals de ziel, zoals God het heeft voorzien.

De kern is liefde, en die vind je onder iedere pijn, onder elke negativiteit, onder elk leed. En ja: soms is het lang zoeken. De beloning van aanvaarding van leed is zo immens groot, dat het nauwelijks valt uit te leggen.

De kern is liefde.

Ed Nissink.

Zomaar een politicus

Overdag was hij de man met gezag en kon hij het lagere werkvolk – het smegma, zoals hij ze in gedachten noemde – doen beven bij ontslagdreiging en andere onheilstijdingen. Zijn glad gelaat, met de in een fractie van een seconde tevoorschijn flitsende haaiengrijns die voor glimlach moest doorgaan en die zo mogelijk nog sneller verdween op het moment dat er geen toeschouwers en camera’s keken, blikte fier elke voorhanden zijnde lens in; pure warmhartigheid en oprechtheid de ether in stralend. En telkens weer werd het door hem zo geminachte volk gemobiliseerd en bracht – hier en daar weliswaar morrend – de stem uit op hem, die hen moest leiden.

Maar ‘s avonds, zo vaak hij kon, wanneer de journalisten waren vertrokken, sloot hij de gordijnen van zijn penthouse, trok mooie lingerie en de kleren van zijn ex-vrouw aan, waarbij hij soms al wat van zijn genot morste voordat hij volledig was gekleed, en maakte zich mooi met mascara, rouge, lipglans en oogschaduw. Een wolkje parfum deed de rest. Tegen de tijd dat hij op zijn pumps naar de pc trippelde, de webcam aanzette en zijn favoriete chatroom startte, spande zijn slip zo strak dat het genot bijna werd verdrongen door pijn.

Dan, met doordrenkt kruis, chatte hij met de ene na de andere man en bracht zijn viriliteit meermaals tot uiting.

Zo ook deze avond, alleen kwam hij niet verder dan de eerste chat. Het was de journalist die hij eerder die week had toegebeten dat hij geen tijd voor hem had. Hij probeerde nog een pose aan te nemen en quasi-verbaasd de webcam uit te zetten, maar hij wist dat hij was betrapt.

Hoe het kon?

Hij was vergeten zijn pruik op te zetten; zijn mooie blonde pruik die zijn bijna kale schedel met die ene, rare pluk haar eroverheen geplakt feilloos bedekte; zodat hij nooit werd herkend. En zijn opvallende bril met zeskantige glazen en rood montuur: zijn handelsmerk. In zijn haast had hij die opgehouden.

Hij had verzuimd even in de spiegel te kijken: een doodzonde zoals weldra zou blijken.

Woedend ontdeed hij zich van het plakkerig en inmiddels verkilde goed. Hij liet het bad vollopen, gleed in het warme water, sneed beide polsen in de lengte door en wachtte op verlossing. Van het volk, het smegma, dat geen spaan van hem heel zou hebben gelaten. Wie hem zou vinden? Dat kon hem niets schelen, en wat er verder gebeurde ook niet.

Het lag ook in zijn stervensuur niet in zijn aard om zich met anderen bezig te houden.

Ik ken je pijn niet

Ik ken je pijn niet

Het is niet mijn pijn

Ik ken je hart niet

Het is niet mijn hart

 

Ik ken je liefde niet

Het is mijn liefde niet

Ik ken je denken niet

Ik ken alleen je woorden

 

Ik ken alleen mijn pijn

Mijn hart, mijn liefde

En mijn gedachten

 

Maar ik kan naast je zitten

In het donker dat je nu omhult

Met je wachten tot het weer licht wordt

 

Dan hoef ik niets te weten of te kennen

En we hoeven niets te zeggen

 

 

Kater

Ik sprak net een kat

Die had weer eens wat

Ik zei lucht je hart

Hij keek wat verward

Tis niets, zei hij zacht

Ik zei: nou, ik wacht

Vooruit maar, zei hij

Het gaat over mij

Ik wist niet wa’k moes

Met ‘n zekere poes

Toen heb ik zojuist

Haar huisje verhuisd

Naar ’t muizige nest

Ze zit daar nog best

Probleem is alleen

Ik mag er niet heen

Ze rekent me aan

Wat ik heb gedaan

En deelt van haar voer

Met mij nog geen moer

Geen muis kan er af

Terwijl ‘k alles gaf

Ik voel me verdraaid

Behoorlijk genaaid

En, oh ironie

Ook dat wil ze nie

Paskamervocht

glaces

Uit de serie Roedezwikkersplein; Damesmode Zuid

In het deel van Zuid waar het Roedezwikkersplein lag, vond men uiteraard nog wel andere  modezaken en veel daarvan waren toegerust met diverse soorten mode, hetzij de laatste, een tikkeltje gedateerde, hetzij ronduit uit de. De economische malaise die veel middenstanders trof, bleef onder meer twee zaken gespaard, namelijk Cafetaria Zuid (een of andere vreemde, bijna bovennatuurlijke kracht bepaalde dat er meer snacks werden genuttigd naarmate er minder geld in omloop was) en Damesmode Zuid.

De verleiding is groot te denken dat een en ander te maken had met de toevoeging ‘Zuid’ achter beide uitbatingen, maar dat berustte slechts op toeval, net als de reden van toevoeging. Beide zaken hadden de toevoeging ‘Zuid’ gekregen omdat ze in het zuidelijke deel van de stad waren gelegen, en geen van beide uitbaters der zaken maakte een probleem van dezelfde toevoeging bij de ander. Zoals gezegd was de toegenomen klandizie voor Cafetaria Zuid terug te voeren op de navenant vergrote snackconsumptie in slechte tijden. Wat maakte nu dat Damesmode Zuid tevens op een onverminderde klantenstroom kon rekenen, hoe slecht de tijden ook waren? Wellicht wordt dat duidelijk in onderstaand verhaal.

Het beloofde een hete en zelfs benauwde dag te worden op het Roedezwikkersplein en omstreken. De ochtend trilde nu nog van fluks uitgevoerde werkzaamheden waarvoor het straks te warm zou zijn, zoals het uitstallen van waren aan de straatkant van de diverse winkels, een en ander altijd met oog voor detailhandel en immer overschaduwd door kleurrijke markiezen en andersoortige zonneschermen. De middenstandsmensen maakten haast omdat ze wel vermoedden dat het straks geen doen meer zou zijn. Leerde hen de zomers aan het Roedezwikkersplein kennen!

Vrouw Zuidema, die haar damesmodezaak Damesmode Zuid sinds jaar en dag exploiteerde, verheugde zich op de op handen zijnde broei. De weersvoorspellingen waren gunstig in elk geval. Ze klikklakte op haar hoge hakken door de zaak en rondde geroutineerd de hoeken van de daar op strategische wijze geplaatste kledingrekken. Ze passeerde de withouten kubussen op wieltjes en andere uitstallingmogelijkheden voor de aanwezige mode, om onderweg de acht ventilatoren in te schakelen: alle van mooi gepoetst chroom met zwarte accenten – design dus – en tevens gegarandeerd geruisloos. Men kon regelmatig verraste gezichtjes zien van de door de bijkans onzichtbaar opgestelde ventilatoren beblazen klanten, wier haren een zachte fluister ontvingen en speels opsprongen. Zeker op dagen als deze, wanneer de dames vanaf het broeierig warme plein binnentraden – een ragrijn laagje zweet op de verhitte smoeltjes – was het een ware traktatie om zo’n zachte windekus van verkoeling te ontvangen. Vrouw Zuidema bevroedde per week zeker zo’n achttien bezichtigingen van kijken, kijken, niet kopen (als het er niet meer waren!) alleen al vanwege het genot der kleine blaascadeaus, de ganse winkel door.

Niet dat zij daar bezwaar tegen voelde overigens: het was haar om het even. Zij genoot van iedere klant, of die nou kwam kijken of iets aanschafte: waarbij, om redenen die duidelijk mogen zijn, een lichte voorkeur bestond voor de laatste categorie. Er moest ook brood op de plank en een mens leeft niet van de ventilatorwind alleen. Toch legde zij ook de kijken-niet-koopsters geen strobreed in de weg. Integendeel: ze groette alle vriendelijk en maakte met een subtiel handgebaar duidelijk dat men vrij was in zowel kijken als passen, of kopen.

Waar het kopen een duidelijk voordeel bood op economisch vlak, daar gaf het kijken een beloning van geheel andere aard en vrouw Zuidema wist deze gift zeker op waarde te schatten. Het maakte haar leven aangenaam en vrolijk, en ze genoot. Dat was het belangrijkste. Niet alleen zij overigens: ook de betreffende kijksters kwamen altijd terug voor meer  en, kon het vier, vijf of acht keer later zijn, uiteindelijk kochten ze toch iets. Dat, in combinatie met de zo strategisch opgestelde ventilatoren, maakte het een wind-winst-situatie. Het was een term die vrouw Zuidema zelf had bedacht en soms, als ze er onverhoopt even aan dacht, liet ze een klein giecheltje los dat toevallig in de nabijheid verkerende klanten of kijkers deed opkijken.

Ach, en daar had je er al eentje: een tikje aan de mollige kant, iets meer bezweet dan de overige clientèle… precies zoals vrouw Zuidema ze graag had. De dame in kwestie was het type met wat men wel noemde een open gezicht: mooie, grote ogen, een volle mond en een ietwat verrast om zich heen kijkend, alsof overal op elk moment de zolang verlangde als ook gevreesde surpriseparty kon losbarsten, wat maar telkens niet gebeurde bij juist dit type vrouw. Dat niettegenstaande was dit er eentje die haar lichte molligheid uitstekend kon hebben. Bij veel vrouwen leidde dezelfde molligheid tot lilvorming en hangvlees; zelfs wel eens tot het door velen zo gevreesde okseltiet, maar sommige vrouwen, zoals die daarnet Damesmode Zuid binnenkwam, konden het hebben. Het stónd ze. Sterker nog: het maakte dat ze een prettig erotische uitstraling hadden: niet dellerig, niet hoerig, niet smachtend en niet viezig. Nee: prettig, prikkelend, preutsig op het leuke af en precies genoeg om aantrekkelijk te zijn.

Zoals gezegd: precies wat vrouw Zuidema graag zag. Ze voelde een niet onaangename kriebel bij het gluren naar deze prettige dame vanachter haar rijk met diverse voiles en spelden opgetaste display. De dame in kwestie voelde wellicht dat iemand haar bekeek, want ze hief met een verraste blik haar hoofd op en spiedde om zich heen. Exact op dat moment trof haar een ventilatieve verfrissing recht in het gelaat waardoor de uitdrukking van verrassing nog iets toenam en haar een onwillekeurig zuchtje ontsnapte.
Vrouw Zuidema bestierf het bijna van plezier: zo’n kieken toch, met haar onschuldige pruil van een smoeltje, haar grote ogen en wat er allemaal aan grote en kleine traktaties onder dat net voldoende gespannen zomerjurkje zat.

Ze wist er wel raad mee, zij van Zuid, verdomme! Ze zou haar eens in het pashok moeten sleuren en haar leren wat men zoal nog meer met shawls, sluiers en hoedenpennen kon doen dan alleen mooi zijn. Ze zou haar het zachtbleke vlees willen kneden, heur haar in een dikke staart naar zich toe trekken en haar laten proeven van eens wat ánder zweet dan dat van het gelaat!

Hijgend stond vrouw Zuidema na te schokken van haar zojuist beleefde fantasie, die haar weerga niet kende en die – als ze zich niet inhield – al spoedig voor de tweede keer het wonder Gods aan haar zou voltrekken. Wat een warmte, wat een genot, wat een vocht… wat een prachtige zomerdag. En hij was nog maar pas begonnen!

Inmiddels was het nietsvermoedende hert, de protagonist van Zuidema’s dagdromerij, naderbij getreden en vroeg met zachte stem naar glacé handschoenen. Zuidema bereikte bijkans een nieuwe Maria-ten-hemelopneming toen ze zich voorstelde hoe deze mollige en goed verzorgde handen in het zachte leer…

‘Maar natuurlijk,’ zei ze op toch nog beheerste toon. ‘Kijkt u dan maar eens.’ Ze toverde een lade uit de toonbank tevoorschijn en zette deze voor de klant neer. ‘Had u een bepaalde kleur in gedachten?’

‘Zwart,’ kirde het konijntje en stak haar hand uit naar een paar van de gewenste kleur. Vrouw Zuidema, die hetzelfde deed, voelde hoe haar hand de hand van de klant raakte en zuchtte diep.

‘Warm hè,’ zei het mollige mopje. ‘Hoe houdt u het vol?’

‘Ach,’ zei Zuidema. Je moest eens weten, dacht ze. Met je pronte tietjes zo naar voren alsof het allemaal niets kost. En je ronde bitterbipsje draaiend gelijk bakker Knedens’ deegmachine op een drukke dag.

‘Niet teveel inspannen en genoeg drinken,’ vervolgde ze hardop. ‘Dan lukt het wel.’

De transactie werd afgesloten met de aankoop van een paar ragfijn bewerkte glacés. Het wasbeertje had in elk geval smaak, dacht Zuidema. Dat mocht gezegd.

Na betaling en bonnenschrijf verliet de vrouw Modehuis Zuid, met een klaterend: ‘Daag, en bedankt!’

‘Dag hoor,’ antwoordde vrouw Zuidema enigszins mat, maar vriendelijk genoeg. Ze was moe, en het was haar vreemd te moede, al die emoties. En ze moest verschoning, voelde ze. Weliswaar niet door na het gemak te schielijk opgetrokken goed, maar vanwege de door haar schepper gegeven lust en de daarbij zo fluks stromende gulheid; het was fijn – jazeker – maar het gaf telkens zo’n boel.

Jij dikkig sletje, dacht ze, met je prima smaak. Ik verheug me op een wederzien.

Het werd een lange dag in Modehuis Zuid.

Verdronken in licht

silver-water-reflections

… en droomde dat ik aan de oever van een zacht stromende rivier stond.
Het water was van kristal, zo helder, en zilverzacht.
“Kom in mij,” smeekte ze.
Ik stapte in het zachte, warme zilver.
En werd moeiteloos omsloten.
Ik zonk en zonk zonder angst, zonder grip.
“Adem mij,” fluisterde ze.
Ik ademde haar.
En verdronk.
In licht.

 

En als het wel zo is, wat dan?

bosstoelen

Ook deze middag waren mijn vrouw en ik in het bos: we werken daar aan onze plannen, teksten en de afgelopen tijd zo turbulent verlopen ontwikkeling en hebben in de loop van de tijd een paar prachtige plekjes weten te vinden. De ene plek heeft zon, de andere schaduw en weer een andere beschutting voor als het regent.

Een van die mooie spots heeft onze voorkeur. Er staan voornamelijk loofbomen – beuken en berken – en een paar naaldbomen. Op een paar open stukken na, waar het heerlijk zonnen is, wordt het licht door de bladeren gefilterd in ragfijne lijnen en tekent ze continue veranderende patronen op de mosgrond. Maar de belangrijkste reden van onze voorkeur is de energie die daar altijd is: het is er voelbaar stil en in tijden van hoogspanning – zoals wij die de afgelopen tijd hebben meegemaakt – gaat er een kalmerende, verzachtende werking van uit. Zodra we aankomen voelen we ons omarmd door de frisgroene adem van de bomen: ze verkwikt ons, pept ons op en geeft ons moed om de volgende lasten te dragen.

Het is door het ruisen van de wind door de kronen en het gezang van de vogels dat de toverachtige stilte zo diep binnendringt: het contrast maakt het groots.

En in die immense pracht, die diepe stilte; dat zinderende energetisch veld… bekroop mij een gedachte, zo puur, zo intens, zo zuiver, dat ik ‘m niet nog eens durfde denken.

‘Wat als alles, het leven dat we leiden, echt zou zijn?’

Dat was de gedachte die mij door het hoofd schoot en die vrij snel daarna via mijn linkeroor mijn lichaam verliet om pijlsnel tussen het gebladerte te verdwijnen.
Wat als alles, dit leven, echt zou zijn?

Tja, dan zou er een hoop veranderen. Stel dat dit leven, alles wat we kennen, geen droom zou zijn: geen theater waarin iedereen zijn rol speelt en alles zo mooi op elkaar is afgestemd.

Ik moet er toch echt niet aan denken.

Althans niet nog eens.

Terugmijmer

klas

Op warme dagen als deze, wanneer het gesmolten asfalt langzaam tussen de stoepranden wegsijpelt, de eekhoorns in de schaduw van boom naar boom springen in de zalige onwetendheid fluks geroosterd te worden indien tijdens hun arge- maar ook zorgeloze sprong ook maar één reepje zonlicht wordt doorkruist… Dagen dat de landsvrouwen alhier, met het spekkend vlees smekend over de reeds ingebrande pantykousjes puilend, hun weg naar de dorpspomp vinden, om aldaar verkoeling te zoeken onder de lauwwarme straal colibesmet water, zo belangeloos opgepompt door de hijgerig zwoegende apotheker, die met dit weer de niet aanwezige klandizie gerust aan zijn assistent durft over te laten…

Zo’n dagen die de boeken (welke boeken, in godesnaam WELKE boeken? Waar koopt men die?) ingaan als ‘erg warm’.

Op zulke dagen dan, denk ik wel eens terug aan het lang geleden klaslokaal waar mijn klasgenootjes en ik pufferig en loom van tussen half geloken oogleden keken naar de onderwijzer  die toch nog enige stichtelijkheid danwel kennis in ons trachtte te persen, hetgeen vergeefse moeite was. Maar er stond een salaris tegenover dus het moest.

De hoge, brede ramen die genadeloos het verzengende licht in hete, witte golven het lokaal lieten binnenspoelen. De geur van lang geleden overleden leerkrachten die op een of andere wijze de weg terug naar het klaslokaal had weten te vinden en welke geur ons, wezenloos starende leerlingen, met misselijkmakende terging de neusvleugels passeerde. De verveling, die te schraal, te droog was om te noemen maar die zich wel degelijk aan ons voordeed: ons, leerlingen. Al die tien- en elfjarigen (zelf was ik tweeëndertig in dat schooljaar, vanwege veelvuldige doublures en ander volksleed hier onvermeld, maar dat terzijde) die maar één ding wilden: weg.

Naar de sloot, of naar huis waar vader nog wel eens gek wilde doen en de tuinslang vakkundig met een Gardena-tussenstuk aansloot op de immer aanwezige buitenkraan en ons, kinderen nog, gul besprenkelde met het kostelijk vocht, tegen zeer geringe vergoeding betrokken uit de watertoren van de waterschappen. Vader, die altijd zo gek begon te ademen en helemaal roze kleurde als de ondergoedjes van de kinders nat werden en al dat prille geluk voor later in alle onschuld alvast werd getoond in de op handen zijnde belofte die het voor sommigen zou worden en voor sommigen juist niet. Het rare huppelpasje dat vader maakte: wij dachten dat het van de waterpret kwam… Wisten wij veel? We waren tien, elf jaar, en ik tweeëndertig.

Weg dus, uit dat klaslokaal; we wilden het. Allemaal. Het sportfondsenbad, het kanaal, een schaduw, de kelder, overleden of dood… als het maar weg was.

Maar de bel ging niet en zou ook nooit meer gaan. We wisten het zeker: we zouden hier voor altijd gevangen zitten in deze stoof van een lokaal, totdat wij allen gaar geroosterd zouden zijn, met een knapperig laagje aan de buitenkant voor de onderwijzer, die ons dan zou nuttigen. Ach, het waren de gedachten zoals iedereen die wel had op die leeftijd.

Maar soms, heel soms, werd de verveling verdreven. Meestal gebeurde dat door Philip Rozebroek; een stevige jongen uit de Lubbeflappensteeg: in een buurt die zelfs door mijn, ook niet bepaald bevoorrechte en in goeden doen verkerende familie, als armoedig werd gezien. Philip zat zoals altijd enigszins onderuitgezakt in zijn stoel: gekleed – zoals alle jongens toen – in korte broek met hupzelen en over de borstrok een wit overhemd; afgezakte, vergeelde kniekousen en afgetrapte meisjesschoenen die van zijn zus kwamen. Dat laatste was ook mij niet vreemd: elk gekregen (kopen deed men niet) kledingstuk ging mee tot het op was. Niet versleten of af; nee. Op. Gewoon geen enkele draad meer. Pas dan werd het kleedje als gebruikt beschouwd.

Zo heb ik ooit een jas gekregen die daarvoor door een verre neef was gedragen en die mij volgens mijn ouders prima paste, al struikelde ik veelvuldig (en ook wel een beetje expres, moet ik erbij zeggen) over de zoom. Met een paar veiligheidsspelden werd zulks vlot verholpen en ik had een jas.

Tegen de tijd dat het ding compleet was versleten, haalde mijn moeder de naaidoos tevoorschijn en vermaakte de jas in de daarop volgende naaisessies tot achtereenvolgens broek, hemd, onderbroek, stofdoek, zakdoek, koperpoetsdoekje en flosdraad, tot mijn zus (de enige in ons gezin met tanden) het per ongeluk doorslikte tijdens het flossen.

“Je hebt verdorie een hartstikke dure jas opgevreten!” gilde mijn moeder dan. Maar tegen die tijd was er al wel weer wat geschonken door een meelevend familielid ergens, dus de rouwperiode duurde ongeveer net zo lang als het hartstochtelijk braken mijner zuster, die het idee een hele jas opgegeten te hebben maar niet uit haar luizige hoofd kon krijgen.

Philip had dit allemaal ook thuis, waarschijnlijk, maar bij hem hing er ook altijd een geur van wasgoed dat lang en ongelucht in een afgesloten ruimte had gelegen, en iets van verschaalde urine. De jongen kon er niets aan doen en wij hadden hem er niet minder lief om natuurlijk, maar het schiep enige afstand. Dat moet hem pijn hebben gedaan, denk ik nu wel eens; maar goed – ik was een kind en wist niet beter, dan dat het nooit voorbij zou gaan. Welke gedachte later nog zo virtuoos is vertolkt door Wim Sonneveld in het lied Het Dorp.

Philip Rozebroek dus, die waarschijnlijk dingen te eten kreeg waar wij niet eens het bestaan van konden vermoeden, en die dientengevolge een wat rommelige stofwisseling vertoonde. Een en ander resulteerde – meestal op woensdag, wat wellicht met hun weekmenu van doen had – in aanvankelijk een wat onrustig geschuif op zijn stoel, beurtelingse rode en witte kleuringen in zijn gezicht en het met een ietwat beschaamd aandoende uitdrukking om zich heen kijken. Ik ving graag zijn blik op zulke momenten en knikte hem altijd bemoedigend toe, wat hem hopelijk toch iets gerustgesteld heeft toentertijd.

Geruststelling of niet: het zou hoe dan ook tot het onvermijdelijke leiden, zoals het altijd al deed. Steeds meer leerlingen wendden hun hoofd af van de onderwijzer naar Philip en mocht iemand het al niet in de gaten hebben dan was er altijd wel een klasgenoot zo attent om hem of haar even aan te stoten en te fluisteren: ‘Philip gaat zo weer af.’ Meestal was dat dezelfde klasgenoot als die later aan de bezetters vertelde waar ze enkele gezochte maar goed verborgen mensen konden vinden. Dezelfde klasgenoot die de gewoonte zou ontwikkelen anderen alle informatie te ontfutselen, door op vriendelijke en ontwapenende wijze vragen te stellen, alles goed te registreren en later waar mogelijk te gebruiken voor eigen gewin. Zo’n soort klasgenoot zeg maar; u begrijpt het nu wel. We kennen er allemaal wel een, ergens. Ooit.

De onderwijzer – waarschijnlijk zelf verdoofd door de hitte en zonder enige motivatie vanwege het niet bepaald bemoedigende salaris dat hem ten deel viel, zag het niet of het kon hem niets schelen. In elk geval dreunde hij met nasale stem door en wij konden vrijuit naar Philip staren met een blik die het midden hield tussen angst, bewondering en bemoediging.

Philip dan, zag er met de minuut angstiger uit. Hij moest en hij wist het, en telkens opnieuw, woensdag na woensdag, al die vervelende schooljaren lang, probeerde hij het te verbergen. Voorzichtig hief hij één bil een kleine centimeter van het zitvlak zijner stoel en men kon aan de verslapping van zijn bovenlijf zien dat hij zichzelf toestond een beetje lucht te laten ontsnappen. Dezelfde lucht echter, had te lang opgesloten gezeten en liet zich door dat luttele centimetertje ruimte heus niet verleiden naar buiten te puffen. Philip hoopte op een zachte glijder die de onderwijzer zou ontgaan en die – gegeven de loodzware hitte in het lokaal – wel enige tijd bij hem zou blijven, qua geur. Helaas: de geur daargelaten mocht het niet zo zijn.

Iets verder omhoog nu, met die bil en een héél klein beetje meer kracht: zo zou het dan toch nog met een sisser kunnen aflopen. Ook dat hielp niet: de wind liet zich niet vermurwen en hield zich stevig vast aan arme – inmiddels paars aangelopen – Philip zijn binnenkant.

En eindelijk kwam dan het beslissende moment waarop Philip voldoende kracht zette om de ontluchting dan toch in gang te zetten. En wij, stil en bewonderend toekijkende scholieren, persten in gedachten mee met Philip, zij het meer uit genante herkenning van een dergelijke situatie dan uit mededogen, maar toch. Sommige kinderen liepen zelf zelfs wat paarsig aan.

Philip, in arren moede met heel zijn achterwerkje een weinig boven de stoel gelicht, hoopte nog steeds op het zacht sissende geluid waarmede de stiekeme stinkerds zich aandienden bij andere kinderen, maar nooit bij Philip.

Met zoveel kracht en persing kon het niet anders dan geweldig worden en dat werd het. Met een luid knetterend geluid, waar maar geen einde aan leek te komen en effectief gereflecteerd en akoestisch versterkt door de hardgelakte, houten stoelzitting, verliet de zo lang verwachte en inmiddels ook gewoon zeer welkome wind zijn veilige holletje. Het knalde en roffelde dat het een aard had en, aan de schrikreactie van Philip te zien, bleef het niet bij gasvormige ontvlieding alleen.

Terwijl wij ademloos toekeken stopte de onderwijzer met praten en kon zodoende nog net de laatste halve minuut geknetter meepakken. Het was geweldig en beangstigend tegelijk. En het ergste moest nog komen: we hadden al meer zulke woensdagen met Philip beleefd immers, dus dat wisten we.

Toen dan eindelijk het fecale doodsgereutel ten einde kwam en Philip met een zompig geluidje zijn achterwerk weer op de stoel liet zakken, wees de onderwijzer met een arm en uitgestoken vinger naar de deur en keek Philip streng aan. Philip begreep de boodschap onmiddellijk, stond op, deed zijn schrift en etui in zijn boekentas en verliet het lokaal. Ons verbijsterd achterlatend. De onderwijzer deed alsof er niets aan de hand was en praatte verder, terwijl de ruimte, dat hete, dompige klaslokaal zich vulde met de geur van spekzwoerd, anijs, boerenkool en uien, met iets van laurier of kruidnagel, als we het goed hadden geroken tenminste.

Nog ruim een half uur zaten wij te hikken en door de mond te ademen en probeerde de onderwijzer zijn groenig uitgeslagen gezicht af te wenden.

Philip was de enige die verlost was van de hel die hij daarnet had losgelaten.

Op dagen als deze denk ik daar dus wel eens aan terug.